Kopstukken
Info  CD  Cabaret  Column  Nieuws  Archief  Gastenboek  Links


terug naar Kopstukken

Aus Greidanus
Helga Ruebsamen
Johan Doesburg
Karel de Rooij
Anton Corbijn
Bas Muijs
Jiri Kylian
Marcel van Eeden
Yvonne Keuls
Louis Behre
Paul van Vliet
Marnix Rueb
Bart Chabot
Eva Maria Westbroek
Cesar Zuiderwijk
Wim de Bie

Bart Chabot

Het thema van de Boekenweek was dit jaar Geschreven Portretten.
Daarom schreef ik (op basis van een uitgebreid interview) voor de tentoonstelling
Kopstukken (te zien t/m 20 april a.s.) in de Centrale Bibliotheek aan het Haagse Spui de afgelopen maanden 16 portretten van vooraanstaande figuren uit het Haagse Culturele leven.
Zo ook van:

BART CHABOT

Boven alles is Bart Chabot (Den Haag, 1954) vader. Vader van vier zoons. Als die maar een beetje tevreden over hem zijn. Kunst is een leuke luxe erbij. Voor de rest van de wereld. Niet voor hem. Voor hem zelf is het van groot belang wat hij doet. Dat ís hij. Maar die jongens zijn z’n ultieme kunstwerken. Kinderen zijn okee. Onschuldig. Als ze volwassen worden gaat het pas mis. Het hebben van kinderen is altijd een diepe wens van hem geweest. Hij heeft daar, naar eigen zeggen, hard aan gewerkt. Een prettige bezigheid.
Bart is geen terugkijker. En dat is misschien maar goed ook. Hij heeft geen gelukkige jeugd gehad. Hij is anders. Druk. Botst met het schoolse systeem. Bart is ook scheel. Grote bril. Oog jarenlang dichtgeplakt. Geen leuke tijd. Het contact met zijn ouders en broer is al enige jaren definitief verbroken.
Bart groeit op in Bezuidenhout. Wilhelminastraat. Met een kladblok op straat om de kentekennummers van de schaarse auto’s te noteren. Vauxhall. Austin. Borgward. Hij speelt op het ‘puintje’, souvenir van het Bombardement. Het ouderlijk huis van zijn moeder is daarbij totaal vernietigd. Als oma later verhuist naar de Harstenhoekweg heeft ze zicht op het Zwarte Pad. Haar oude huis, want die heuvel is gemaakt van Bezuidenhouts puin.
Moeder is huisvrouw. Vader werkt bij Buitenlandse Zaken, afdeling veiligheid. Later consul in het buitenland. De weg die Bart gegaan is, van poëzie en rock en roll, is voor hen moeilijk te accepteren. Maar voor hem betekent het zijn redding. Het creëren van een eigen wereld.
Bart heeft zichzelf moeten heruitvinden. Aan de hand van illustere vrienden als Herman Brood, Jules Deelder en Martin Bril. Hij is een totaal ander leven gaan leiden.
Als kind leest hij al veel. Zo betreed je nieuwe werelden, nieuwe tijden, nieuwe ruimten. Terwijl je gewoon in je stoel zit. Ook wordt hij gegrepen door de muziek. Op zijn pick-upje draait hij singletjes. ‘Good Vibrations’ van de Beach Boys. Harmonie, maar met een twist. Beatles, Stones. Andere werelden. Later wordt hij geïnspireerd door punkdichters als John Cooper Clark. Hij gaat regelmatig naar Londen om de scene rond Johnny Rotten van dichtbij te bekijken.
Hij leeft jaren onder de armoedegrens. Dat is de consequentie van zijn keuze voor het dichterschap. Maar er is maar één weg. Zijn eigen weg. Dat betekent sterk zijn. En eenzaam.
Herman Brood wijst hem de weg. Met hem klikt het vanaf het eerste moment. Hij leeft het leven met hem mee. Wel rustiger qua sex en drugs. Niet wat betreft de drank. Brood maakt van zijn eigen leven een kunstwerk. Dan kan je niet gewoon over straat. Er gebeurt altijd wat. Hoe doe je dat? Herman is al ontsnapt. Bart moet nog ontsnappen aan de conventies. Herman bewijst dat je dan niet per definitie een loser bent. Ontsnappen aan de middelmaat. Verdienstelijk kunstenaar, weggegooid leven.
In 1993 krijgt hij een alcoholvergiftiging. Zijn vrouw, dé ware, stelt hem voor de keus. Hij stopt met drinken. Het gezin gaat boven alles. Alleen, papa heeft een rare hobby. Zijn vrouw werkt als arts, Bart is thuis voor de jongens. Er komt discipline in zijn schrijven. Negen uur achter het bureau. Zijn werkkamer heeft dichte gordijnen. Ze zijn nog nooit open geweest.
Bart is veelvuldig on the road. Mee met Brood. Toeren langs de theaters met Campert en Mulder. Later met Bril en Giphart. Regelmatig gaan de jongens mee. Maar schrijven doet hij thuis.
Hij krijgt een column aangeboden in de Haagsche Courant. Moet je doen, zegt zijn vriend Martin Bril. De poëzie is een achterhoedegevecht. Hij stopt ermee. 900 bladzijden verzameld werk. Genoeg andere dingen te doen.
Sinds de dood van Bril staat hij op eigen benen. Boeken, columns, speciale reporter bij Pauw en Witteman. Hij heeft plannen voor een filmscenario van een intelligente horrorstory.
Den Haag is zijn bedding. Die stad heeft het allemaal. De soevereine nuchterheid van de mensen. En natuurlijk de zee. Eeuwige oneindigheid, die alles relativeert.
Bart Chabot heeft zichzelf uitgevonden. Hij is zichzelf geworden, met dank aan Herman en Martin. Zijn broers. En die vinding is steeds beter gaan lopen. Dat houdt hij zijn jongens voor. Pappa heeft nu succes. Maar hij heeft niets cadeau gekregen.