Kopstukken
Info  CD  Cabaret  Column  Nieuws  Archief  Gastenboek  Links


terug naar Kopstukken

Aus Greidanus
Helga Ruebsamen
Johan Doesburg
Karel de Rooij
Anton Corbijn
Bas Muijs
Jiri Kylian
Marcel van Eeden
Yvonne Keuls
Louis Behre
Paul van Vliet
Marnix Rueb
Bart Chabot
Eva Maria Westbroek
Cesar Zuiderwijk
Wim de Bie

Marnix Rueb

Het thema van de Boekenweek was dit jaar Geschreven Portretten.
Daarom schreef ik (op basis van een uitgebreid interview) voor de tentoonstelling
Kopstukken (te zien t/m 20 april a.s.) in de Centrale Bibliotheek aan het Haagse Spui de afgelopen maanden 16 portretten van vooraanstaande figuren uit het Haagse Culturele leven.
Zo ook van:

MARNIX RUEB

Marnix Rueb (Den Haag, 11 april (!), 1955) is een comedian. Comedian op papier, zo zou hij graag in de herinnering blijven. De kans is groot dat hem dat lukt, want hij is de schepper van de onvergankelijke stripheld Haagse Harry. Dat heeft sensatiebeluste cameraploegen al teleurgesteld doen afdruipen. Want Marnix Rueb zelf is geen ongepolijste, grofgebekte, hart op de tong-dragende trainingspakdrager uit de ruige Haagse gebieden.
Hij groeit op in het Benoordenhout. Zijn vader is kinderrechter. Een milieu waarin hij zich nooit heeft thuisgevoeld. Zijn moeder overlijdt als hij zes jaar is. Het jongetje Marnix is alleen maar met tekenen bezig. Zijn aanleg is onmiskenbaar. Zijn fantasie maakt indruk. Het tekenen verschaft hem een eigen wereld. Hij is een ‘ontzettende dromer’ met een korte concentratiespanne, wat hem minder geschikt maakt voor het volgen van onderwijs. Binnen twee minuten zit hij uit het raam te staren. Hij speelt wel met vriendjes, maar voelt zich nooit een van de groep.
Hij is een toeschouwer. Nog steeds. Dat zit in hem, hij weet niet beter. Lang heeft hij humor als wapen gebruikt. Om zich staande te houden in een groep. Om aandacht te krijgen. Om die aai over z’n bol te krijgen. Tot op een gegeven moment een vriendje tegen hem zegt: Daar heb je Marnix, die zegt altijd wat geks. Zeg eens wat geks? Toen is het kwartje gevallen. Die diepgewortelde onzekerheid zal hem niet snel verlaten.
Hij vindt het ook moeilijk om trots op zichzelf te zijn. Soms bekijkt hij zijn eerste albums om zichzelf een opkontje te geven. En dan verbaast hij zich over het gemak waarmee hij alles heeft gemaakt. Waar kwam het vandaan? En waarom gaat het nu soms zo veel moeilijker?
Het moet een drift geweest zijn. En alle ingrediënten waren aanwezig. Het gevoel voor humor heeft hij van zijn ouders, al heeft hij zijn moeder nauwelijks gekend. Uit de verhalen weet hij dat ze verbaal begaafd was. Of het ontbreken van die beschermende moederarm zijn eenzelvigheid heeft bevorderd is voer voor psychologen.
Hij is een ‘ongelofelijke puber’, heeft een verschrikkelijk minderwaardigheidscomplex. En dus ook de drift om te laten zien dat hij wat kan. Niet bepaald op de diverse scholen die hij bezoekt. Na een te korte VCL-carrière ondergaat hij de terreur van het Tymstra. Een middelbare school met kadaverdiscipline waar probleemgevallen uit de betere milieus in model worden gekleund. Omdat hij weet dat ze hem om prestigeredenen nooit van school zullen sturen, tart hij het gezag met aanhoudende afwezigheid en het onbeperkt laten groeien van zijn haar.
Op een zeker moment mag hij er vanaf. Er volgt voor de zelfbenoemde weekendhippie een periode van vele betrekkingen totdat hij een wereldbaan krijgt bij Vroom en Dreesman. Administrateur reparatie-afdeling horlogerie. Tijd zat om te tekenen en om zich heen te kijken. En ongemerkt zijn rijbewijs te halen.
V&D is een micro-cosmos, die de veelzijdigheid van Den Haag weerspiegelt. Hij leert de charme van het volkse Den Haag kennen, de slimheid, de domheid, de onnavolgbare humor en de kracht van het plathaags.
Het is een openbaring. Nieuwe werelden openen zich. In dit universum van verwondering en fascinatie begint Haagse Harry te ontstaan. Marnix noemt zijn archetypische Hagenees ‘al dan niet bewust verbaal begaafd’.
De tekenaar verhuist naar de Schilderswijk en Harry krijgt zijn definitieve vorm. Hij debuteert in een cartoon waarin hij een ‘erauties gedich’ voorleest: Kankâhhoeâh!
Het fonetisch opschrijven van het Haags is een gouden greep. Marnix, volgens eigen zeggen beïnvloed door Disney en de tekenaars van het tijdschrift Mad, ontwikkelt voor het uitgaansblad Doen een Haagse Harry-strip met veel Haagse wijsheden op T-shirts en winkelruiten.
Alles valt samen. Hij heeft zijn vorm gevonden. Aanvankelijk ook nog als fotograaf, nu definitief als striptekenaar. Dit is de beslissende doorbraak in zijn carrière. Nooit zal hij meer voor een baas werken. Zijn roem overstijgt de Residentie.
Toch zal het hem nog gebeuren dat hij het hoofd moet buigen voor de zwaarte van het leven. Een burn-out. Niets is leuk meer. Dat gevoel is nu weg, maar het blijft strijden. En ach, welke kunstenaar heeft zichzelf na zijn dertigste overtroffen? Cynisch? Okee, maar nooit zonder mededogen. Het jongetje Marnix tekent voort. In Den Haag. Uiteraard.