Kopstukken
Info  CD  Cabaret  Column  Nieuws  Archief  Gastenboek  Links


terug naar Kopstukken

Aus Greidanus
Helga Ruebsamen
Johan Doesburg
Karel de Rooij
Anton Corbijn
Bas Muijs
Jiri Kylian
Marcel van Eeden
Yvonne Keuls
Louis Behre
Paul van Vliet
Marnix Rueb
Bart Chabot
Eva Maria Westbroek
Cesar Zuiderwijk
Wim de Bie

Paul van Vliet

Het thema van de Boekenweek was dit jaar Geschreven Portretten.
Daarom schreef ik (op basis van een uitgebreid interview) voor de tentoonstelling
Kopstukken (te zien t/m 20 april a.s.) in de Centrale Bibliotheek aan het Haagse Spui de afgelopen maanden 16 portretten van vooraanstaande figuren uit het Haagse Culturele leven.
Zo ook van:

PAUL VAN VLIET

Paul van Vliet (Den Haag, 1935) is rusteloos. Daarin ligt de kern van zijn veelzijdigheid. Zanger, schrijver, poëet, ondernemer, artiest, humorist. Hoe mooi is dit alles te vangen in het overkoepelende beroep cabaretier. En dan zijn er veel meer mogelijkheden geweest. Journalist, historicus, tophockeyer, advocaat, rechtsgeleerde.
Een energieke knaap uit een oerhaagse dynastie. Zijn ouders hebben hem rijkelijk erfelijk belast. Creatieve, muzikale mensen. Vader tekenleraar, verdienstelijk toneelspeler, maker van prachtige poppen. Moeder lerares voedingleer. Daar hebben ze in de hongerwinter veel profijt van. Zij weet hoe ze in die ellendige tijd de vitamen en mineralen bij elkaar kan schrapen.
In het leven van Paul is die oorlog bepalend. Niet dat hij er veel over geschreven heeft. Natuurlijk is er het liedje ‘Japie Groen’, over een joods klasgenootje. Maar de oorlog heeft vooral enorme invloed op zijn denken. Hij ziet heel veel ellende. Razzia’s, hongerdoden, jodenvervolging, haperende V1’s, het Bombardement van Bezuidenhout. Ze wonen op Juliana van Stolberglaan 38. Alles kwijt geraakt. Vader neemt in paniek nog het verkeerde koffertje mee.
Hongertocht. Vader komt met wat schamele etenswaren terug. Wordt bij Marlot opgewacht door NSB’ers. Die pakken het vervolgens af. Het vereist een hoog moreel om tegen al dit soort dingen te kunnen. De oorlog maakt ook dat ouders niet langer die bron van zekerheid zijn, waar kinderen recht op hebben. Veilig achterop... dat is voorbij. Angst, nervositeit. De rots van rust is ineens weg. Alle kinderen worden ingeschakeld in het productieproces. Iets te jong. En iets te veel alleen. Aan je lot overgelaten. Het gaat om eten, kleren, kolen.
In de hongerwinter wordt Paul naar Friesland gestuurd. Met het laatste kindertransport door de linies, het ongewisse in. Losgerukt uit de warmte van de familie. Den Haag - Leeuwarden. Veertien uur. Onderweg beschoten. Fijn pleeggezin in Garijp. Maar hoe is het in Den Haag?
Toch zorgt al deze narigheid voor een sterk vooruitgangsgeloof. Wacht maar tot het vrede wordt. Het levert Paul een onuitroeibaar positivisme op. Hoe donker de tijden ook zijn, het zal beter worden. En daar kan je zelf veel aan doen. Die drift.
In Pauls meest ontvankelijke jaren is het na de oorlog ook eigenlijk alleen maar beter geworden. De wederopbouw. De welvaart. Zo gaat het ook met zijn carrière.
Paul wordt geboren op Denneweg 64. Het huis van zijn overgrootmoeder. Dat achterkant grenst aan wat later PePijn zal worden. Zijn eigen theater. Toen nog de garage van kachelbedrijf Beekman. Hij heeft drie oudere zussen. Die hebben een hele eigen meisjeswereld. Paul is een wilde jongen. Een rauser. Lastig geworden door de oorlog. Niet makkelijk terug te krijgen in het gareel. Ontembaar.
Zo wordt ook de dynamiek van zijn kunst gevoed door een donkere kant. Melancholie. Heeft hij als jongetje al. Gevoel van verlatenheid. Half-prettige eenzaamheid. En rusteloosheid. Waar moet ik heen? Waar hoor ik thuis? Hij heeft lang last van die versnipperdheid, maar hij weet er uiteindelijk vorm aan te geven. In het spelen.
De magie van het optreden. De eerste keer. Paul is 11. Op zomerkamp. Jantje zag eens pruimen hangen. Op zeven verschillende manieren. Hij is geschokt door het succes. En ook nog verliefd op het meisje Ilse. Tijden van slag geweest.
Veel later. Afgestudeerd jurist, maar toch cabaretier geworden. Theater PePijn is zeven jaar uitverkocht. Show in het Kurhaus. Avond aan Zee. Van heinde en verre komen de mensen. Paul zweeft. Weer later. De Engelse show. Succes in Londen. Uiteindelijk toch geen internationale carrière. Beslissende momenten in een immens rijke carrière. Klassieke liedjes. Legendarische types. Eigen genre. Eenling.
Paul heeft veel energie. En een sterk lijf. Krijgt een paar tikken. Auto-ongelukken. Operaties. Er wordt een nier weggehaald. De nacht voor de operatie zit hij ergens in het ziekenhuis te roken. Over zijn leven heerst tevredenheid. Veel dromen zijn verwezenlijkt. Ook in het wankele evenwicht van privé-leven en het allesbeheersende werk is vooruitgang geboekt.
Paul is een doener. Doet veel op intuïtie. Schrijft ook veel op intuïtie. Teksten die pas later gedekt worden door de waarheid. Er is een verdieping in het schrijven gekomen. Minder op het effect. Persoonlijker. Ook in het optreden. Soberder. Misschien wel beter dan ooit. Een vuurdoorn in de herfst. Binnenkort is hij terug in Den Haag. De rusteloze ruiter komt thuis.