Kopstukken
Info  CD  Cabaret  Column  Nieuws  Archief  Gastenboek  Links


terug naar Kopstukken

Aus Greidanus
Helga Ruebsamen
Johan Doesburg
Karel de Rooij
Anton Corbijn
Bas Muijs
Jiri Kylian
Marcel van Eeden
Yvonne Keuls
Louis Behre
Paul van Vliet
Marnix Rueb
Bart Chabot
Eva Maria Westbroek
Cesar Zuiderwijk
Wim de Bie

Johan Doesburg

Het thema van de Boekenweek was dit jaar Geschreven Portretten.
Daarom schreef ik (op basis van een uitgebreid interview) voor de tentoonstelling
Kopstukken (was te zien t/m 20 april) in de Centrale Bibliotheek aan het Haagse Spui de afgelopen maanden 16 portretten van vooraanstaande figuren uit het Haagse Culturele leven.
Een glossy uitgave van deze portretten is te verkrijgen in de Haagse boekwinkels.
Zo interviewde ik ook:

JOHAN DOESBURG

Voor Johan Doesburg (Den Haag, 1955) is theater zijn kind. Sinds enige jaren is hij ook vader van een zoon van vlees en bloed, maar heel lang heeft theater op de eerste plaats gestaan. Zoals je ook kunt zeggen dat de geboorte van de regisseur Doesburg het resultaat is van een olifantsdracht. Op zijn zevenentwintigste vindt hij pas het juiste pad: de regieopleiding van de Theaterschool in Amsterdam. Liefde op het eerste gezicht. Dan is er aan alle voorwaarden voldaan.
Johan wordt geboren op de Scheveningseweg. In een ambtenarengezin. Zijn vader werkt bij de rijksoverheid, zijn moeder bij de gemeente. Keurig milieu. Er wordt niet gescholden, niet teveel gedronken. Zijn moeder houdt van verhuizen. Zij omarmt de wereld. De regisseur van het gezin. Is extraverter, brutaler, expressiever dan zijn vader. Die is een schaker. En een man die zijn grens kent. Maar misschien ook te beheerst. Een belast verleden, drie maanden teruggelopen van een werkkamp uit de buurt van Dachau, maar daarmee zijn kinderen niet lastig vallend.
Maar ze kunnen niet zonder elkaar. Als zijn ouders besluiten in Naaldwijk te gaan wonen, zijn ze Johan kwijt. Hij is dan zestien en gaat zijn eigen gang. Bezoekt het Thomas More College op de Beresteinlaan. Leuke school. Linkse tijd. Leraren die met de voornamen worden aangesproken. Hij leert er zijn bondgenoot Matthieu Verstegen kennen. Hij heeft hem verloren aan longkanker. 27 jaar bevriend. Een koppel waarnaar geluisterd wordt. Mathieu meer individueel gericht, Johan meer een groepsmens. Maar hij verzuipt daar niet in. Reservebroers.
Johan is een vroegrijp mannetje. Een druktemaker. Maar ook een lezer, net als zijn broer en zijn vader. Daar zitten ze in de woonkamer, alledrie met een boek. Zijn moeder komt binnen en spreekt zuchtend de onsterfelijke woorden: ‘Nou, dat wordt gezellig.’ Lezen is het begin en het einde. Het vergaren van kennis. Daarover nadenken. Op jezelf. Heerlijk.
Ook al is hij een lastig ventje, hij komt graag bij zijn ouders thuis. Zij hebben last van het vooroordeel: jongens lopen niet in zeven sloten tegelijkertijd. Eigen verantwoordelijkheid. Als je dronken van de trap afvalt, dan merk je dat zelf wel.
Zijn vijf jaar oudere broer Fer is een held. Nu nog. Een sportieve, inspirerende figuur, die zijn kleine broer met plezier helpt. Hij gaat sociale wetenschappen studeren. In Groningen. Daar kun je goed uitgaan. Johan bezoekt hem graag en proeft het caféleven. In discussies gaat het, ook met hun vader, over literatuur. Over de ironie van Reve. Of is het toch geen ironie?
Johan heeft asthmatische bronchitus. Is vaak benauwd. Maar dat mag het leven niet belemmeren. Door! Eén keer belandt hij drie dagen in het ziekenhuis. Na zijn dertigste heeft hij er geen last meer van gehad, ook al is hij dan inmiddels een verwoed roker.
Johan is in zoverre een moeilijk geval, dat hij niets doet behalve boeken lezen. Zijn broer zal organisatiedeskundige worden, maar Johan weet niet wat hij wil. Dit baart zijn ouders zorgen.
Op zijn zeventiende ziet hij een voorstelling in het HOT-theater. Variaties op een Oedipus-complex. Ongrijpbaar interessant. En er is naakt! Alle oedipale ingrediënten zitten erin, maar niet op een keurige abc-manier. Als dit theater is, dan is dat geweldig. Ook volgt hij Erik Vos in zijn nieuwe spannende Appel-avonturen. Op zijn twintigste snuffelt hij verder, dient zich bij drie theaterscholen aan. Ongeduld regeert. Weggestuurd, weggegaan, niet afgemaakt. Om hem heen kantelt de wereld. Sixties, seventies, alles is in verandering.
Dan misschien maar een serieus beroep. Maar eerst een jaar reizen. Dan naar de P.A. Vervolgens pedagogiek in Leiden. Zijn vader wil dat hij een diploma haalt: ‘Daarna mag je achter de vuilniswagen.’ Johan is werkstudent. Vele baantjes. Taxichauffeur in nachtelijk Den Haag. Een beter practicum is niet denkbaar. Hij woont in de Stationsbuurt. Moord en doodslag. Idioten, drank, drugs, prostitueés. Shakespeare voor de deur. Een onbekende wereld, die hij ook opzoekt. Hij belandt voor de klas, leert zijn mannetje te staan.
Dan toch op zijn zevenentwintigste naar de Theaterschool. Alles komt bij elkaar. De humuslaag is gelegd. Johan doet zijn eerste regie: De Thuiskomst van Pinter. Zijn vader sterft. Binnen negentien dagen. Geen tijd om afscheid te nemen. Eeuwig jammer. Hoogste tijd om heel veel theater te gaan maken.