Kopstukken
Info  CD  Cabaret  Column  Nieuws  Archief  Gastenboek  Links


terug naar Kopstukken

Aus Greidanus
Helga Ruebsamen
Johan Doesburg
Karel de Rooij
Anton Corbijn
Bas Muijs
Jiri Kylian
Marcel van Eeden
Yvonne Keuls
Louis Behre
Paul van Vliet
Marnix Rueb
Bart Chabot
Eva Maria Westbroek
Cesar Zuiderwijk
Wim de Bie

Helga Ruebsamen

Het thema van de Boekenweek was dit jaar Geschreven Portretten.
Daarom schreef ik (op basis van een uitgebreid interview) voor de tentoonstelling
Kopstukken (was te zien t/m 20 april) in de Centrale Bibliotheek aan het Haagse Spui de afgelopen maanden 16 portretten van vooraanstaande figuren uit het Haagse Culturele leven.
Een glossy uitgave van deze portretten is te verkrijgen in de Haagse boekwinkels.
Zo interviewde ik ook:

HELGA RUEBSAMEN

In ieder verhaal van Helga Ruebsamen (Batavia, 1934) loopt een hond rond. Daar heeft ze zelf vreselijk veel plezier in, want in sommige verhalen past helemaal geen hond. Maar hij moet er wel in en wel zo dat het niet opvalt. Het is een eerbetoon aan de hond, dat trouwe beest dat het volhoudt met de mens. Zeker als de persoon als free-lancer steevast druk is en op ongure tijden in de weer. En natuurlijk katten. Die heeft Helga altijd gehad. Het zijn een soort kinderen. En nu zijn in korte tijd zowel haar kat als ook -plotseling- de hond overleden. Ze schrijft nu ook een tijdje niet meer. Of beter gezegd: ze is bezig met niet-schrijven. Het is een raar gevoel. Rouwen.
Want schrijven heeft ze altijd gedaan. Het is een tovermiddel. Om te ontkomen aan de werkelijkheid. Om meerdere levens ernaast te kunnen leiden. Het schrijven is haar trouwste bondgenoot.
Ze wordt in Nederlandsch Indië geboren. De familie van haar moeder bestaat uit zeevaarders en kolonialen. Planters. Haar vader, een joodse Duitser, is na de verschrikkingen van W.O.I op goed geluk naar Indië gegaan. Koloniale sfeer. Ze wordt opgevoed door baboes. Kleuren, geuren, verhalen. Geen kleine wereld. Wel fijn. Allesomvattend. Overzichtelijk. Leven en dood lopen in elkaar over. Alles stroomt. Een verloren paradijs. Op de boot naar Nederland ziet ze zichzelf voor het eerst in de spiegel. Schrikt. Ze is wit.
In 1939 reizen ze naar Europa. Dan komt de oorlog. Na de zoete siroop van Indië, de bittere pil van de oorlog. Verschrikkelijke tijd. Door verhalen te schrijven en tekeningen te maken tovert ze zich weg.
En er is nog één heel groot geluk. Ze ontloopt de lagere school. Daar wordt het kind geknipt en bijgeschaafd. Het eigene wordt onderdrukt. Het mag zijn fantasie niet gebruiken. Waarom zou een kind niet mogen jokken? Dat is toch ook een soort kunst. Ze maken een uniform burger van je.
Het wonder van de bevrijding. Als uitgeteerd skeletje staat ze op de Wassenaarseweg. Bij flat Nirwana. De bevrijders trekken binnen. Generaal Montgomery komt langs. De held. Ze mag een stukje mee op zijn wagen.
De roes blijft hangen. Tot zo ongeveer 1948. In de jaren ’50 is de truttigheid in volle glorie terug. Ze zit in een aparte klas voor door de oorlog getekende kinderen op het Maerlant Lyceum.
Vroeg volwassen. Meisjesboekenromantiek is iets vreemd. De wereld is keihard. Helga is al zodanig gebutst, dat niets haar verrast. Haar moeder komt uit een familie van verhalenvertellers. Zij daagt Helga daar ook toe uit. Want er is nooit niks gebeurd.
Ze gaat naar Parijs. Is danseres. Komt weer eens kijken in Den Haag. Probeert verschillende studies uit in Leiden. Ook om inzichten over zichzelf te verwerven. Greep op de wereld te krijgen. Dat heeft ze tot haar zestigste altijd nog geprobeerd. Als bijbaantje wordt ze verslaggever bij Het Vaderland. Haar reportages gooien hoge ogen. Met dank aan haar fantasie. Van een binnenbrandje in de Wagenstraat wordt een heldenepos gesmeed. Nooit klachten. Totdat ze zich verslaapt tijdens een bijzondere maansverduistering. Het verhaal is snel gemaakt. Maar helaas, door de regen is er niets te zien geweest. Als boetedoening voor dit verraad aan de journalistiek heeft ze geprobeerd haar Indische –en oorlogsherinneringen zo waarachtig mogelijk op te schrijven. Het lied en de waarheid. Let op de volgorde. Het boek is nog altijd een groot succes.
Ze schrijft veel in de krant, maar heeft geen literaire publicatiedrift. Toch krijgt ze in 1958 een eervolle vermelding voor haar korte verhalen bij de Reina Prinsen Geerligsprijs. Haar echtgenoot, de jazz-trompettist Serein Pfeiffer, heeft ze stiekem ingestuurd.
Motorrijden. Reizen. Drinken. Schrijven. Een turbulent leven volgt. Maar in de kern blijft Helga een secundair handelende persoon. Eerst verwerken, dan schrijven. Perfectionistisch. Altijd alles in twijfel trekken. Omdat alles elk moment weer anders kan zijn dan je denkt. Dat is de veranderlijkheid en de wisselvalligheid van het leven. En de tamelijk satanische maar niet van humor gespeende rol van het noodlot. Het enige wat je kan doen is het ondergaan en er om te lachen. Leren lachen zonder te huilen. Over dat lot hebben we geen controle. We kunnen ons er niet tegen wapenen. Hooguit proberen te ontwijken. En schrijven. Helga, schrijf!