Auteursarchief: Marcel Verreck

Tribunepoëzie

(verschenen in Den Haag Centraal van 11-10-18)


De ADO-supporters haalden afgelopen weekend de Studio Sport-samenvatting van de wedstrijd tegen Groningen. Daar stond immers de weerspannige doelman Sergio Padt tussen de palen. Hij is onlangs bij een incident in de trein wegens wanbetaling en opgefokt gedrag in de boeien geslagen. Zo ADO-supporters ergens verstand van hebben, dan zijn het deze zaken. (Geintje, jongens.)
De keeper werd zingend verwelkomd met nieuwbakken hits als ‘Sergio, laat je kaartje zien’ en ‘Olé, olé, hij heeft geen OV.’ Padt deed net of hij niets hoorde, maar moest wel één keer vissen en dat was genoeg voor weer een overwinning van de thuisclub.
Het volgende vers belandde ondertiteld in het wedstrijdverslag:

Daar boven op die berg,
daar woont Sergio Padt,
hij koopt nooit een kaartje,
en hij rijdt liever zwart

Als liefhebber van tribunepoëzie, maar ook als neerlandicus, moet ik even bij deze tekst stilstaan. Op het eerste gezicht lijkt waarlijk rijm hier afwezig, maar in de Haagse tongval speelt, zoals wij weten, de letter ‘r’ een verwaarloosbare rol. Hij wordt ingeslikt, dan wel omgevormd tot een fraaie huig-g. Dat heet brouwen, en dat is natuurlijk ook een woord waar we in Den Haag affiniteit mee hebben.
Zo rijmt Sergio Padt toch bijna op ‘zwagt’. Waarom de doelman op een berg zit, behoort tot de raadselen der poëzie. Groningen staat niet bekend om zijn hoogteverschillen, al dreigen die dankzij de geslonken gasvoorraad wel te ontstaan.
De ADO-supporters lieten in ieder geval op een fraaie manier van zich horen. Dat was vroeger wel anders, maar ‘deze nieuwe situatie wegen we weer opnieuw’, aldus een andere stadgenoot die ons verbaal suf probeert te pingelen. Goed, Robin van Persie kreeg een loflied met als tekst ‘ouwe lul’ (je zal hem trouwens maar in je elftal hebben!) en voor een ongelukkig gevallen Ajax-supporter klonk ‘er ligt een jood in de gracht’, waar normaal gesproken een paard in de gang stond.
Maar verder zijn de Haagse supporters vaak ontroerend actief met bijvoorbeeld een knuffelwerpactie voor ernstig zieke kinderen en het prachtige spandoek van Haagse Harry-schepper Marnix Rueb dat na diens overlijden werd ontrold. Binnenkort zal overigens een filmdocumentaire over Marnix te zien zijn.
Geïnspireerd door deze tribunepoëzie zei ik tegen een Haagse vriend tijdens het ‘Zwingcafé’ in De Nieuwe Regentes dat er niets mooiers is dan samen zingen. Hij wist nog iets mooiers. Ik antwoordde dat je daar ook bij kan zingen.

Kamp der Onbekenden

(verschenen in Den Haag Centraal van 4-10-18)

Vandaag rek ik het mandaat voor deze sportcolumn op om ‘Expeditie Robinson’ te kunnen bespreken. Deze mateloos populaire martelkamer voor televisietiepjes heeft alle kenmerken van een sportwedstrijd. Om te beginnen is het kijken ernaar een onvervalste duursport: ultiem uithoudingsvermogen is vereist om deze wezenloze voorstelling uit te zien.
Voor mij althans, televisiemakers zijn inmiddels zo gericht op vertonen van niet-bijzondere daden van niet-bijzondere mensen, dat daar nu massaal van gesmuld wordt. De tv-kijker ziet, zoals alle consumenten, graag iets van zichzelf terug in het aangebodene, vandaar dat lulligheid, klunzigheid en klein huishoudelijk leed aan de orde van de dag zijn.
Soms knettert het ook in de eilandgemeenschap, zoals vorige week toen de hoogbejaarde Corry Konings werd uitgefoeterd door een ‘gangstarapster’ uit onze polder, die daarna opgefokt de expeditie verliet om thuis weer lekker haar haar geel te kunnen verven. De arme Corry, in haar moedige badpak, bleef achter met ‘een heel apart gevoel van binnen’ en al spoedig bleek dat huilen voor haar zeker niet te laat was.
De aanleiding van het geschil was, zoals hij de meeste huiselijke twisten, te onbenullig voor woorden, maar de camera’s draaiden gretig en bij het nasmulprogramma ‘Eilandpraat’ ging het over niets anders. Daar kreeg ik mijn definitieve ‘Maarten van der Weijden nabij Dokkum’-momentje. Ergens houdt het op.
Dit jaar mogen er ook Onbekende Nederlanders meedoen. Knap dat ze die gevonden hebben. Ze verblijven in het zogenaamde Kamp der Onbekenden, al waren dat voor mij eigenlijk alle drie die kampen. Jaren geleden zag je nog wel eens een deerniswekkende coryfee door de mangrove tijgeren, die landelijke bekendheid genoot vanwege enige (niet alleen geldelijke) verdiensten. Gelukkig zetten ze er tegenwoordig meestal bij wie hier de cliché-uitbrakende spreker is en waar we hem of haar van moeten kennen. Op eigen kracht herkende ik, behalve onze Corry, Kraaykamp junior en de zanger Jody Bernal. Voor dat laatste schaam ik me nog steeds.
Dan de echte sport op het eiland. Er zijn uiterst sadistische proeven in de brandende zon die doen denken aan de praktijken van de Japanners in de Tweede Wereldoorlog. Hoofdprijs is een langer verblijf in de gloeiende hel. Wat dat betreft moeten we dit sport noemen: men hongert, ziet af, sterft zowat voor de ultieme roem. Vervolgens begint het eindeloze napraten: Zal Corry Konings net zover komen als de geweldige wielersenior Valverde? Zeker is dat Felix Meurders ze allemaal zou verslaan.

Marcel Verreck

De sportrede

(verschenen in Den Haag Centraal van 27-9-18)


De Troonrede. We waren hem alweer vergeten, al werd hij vorige week uitgesproken. Ik heb hem nog eens overgelezen en begreep onmiddellijk waarom onze Koning ervan moest stotteren.
Aangezien dit een sportcolumn is, heb ik ingezoomd op wat, volgens de volkswijsheid, de belangrijkste bijzaak ter wereld is. In een welvaartsmaatschappij als de onze is sportbeoefening een vitaal onderdeel. Weinigen zullen dat betwisten.
Sport is, uiteraard in de juiste dosering, goed voor lijf en leden en, in principe, ook balsem voor de psyche. Bewegen in competitieverband verbetert de sociale vaardigheden, al zijn er weleens (ont)sporende voetbalkeepers die van het Padtje raken.
Het leren omgaan met verlies en winst blijft voor jong én oud een essentieel proces. De tragikomedie van het bestaan zullen we moeten accepteren. Er is geen verlies zonder winst, en winst is niets als je de waarde ervan niet kent. Gelukkig hoeven we niet meer tegen andere landen te gaan vechten, maar kunnen we deze wijze lessen opdoen tijdens de sportieve strijd.
De consumptiemaatschappij heeft ons in de houdgreep, die maakt ons hebberig, en dan zijn degenen met de minste weerstand of ouderlijke correctie de pineut. Ik ga regelmatig enige tientallen baantjes trekken in De Waterthor, daar heb je tussen de middag een klein uur de tijd voor. Dan begint het schoolzwemmen weer. Godlof dat het er is, maar van de aanstormende kinderen is een aanzienlijk deel zichtbaar te dik. Ze hebben tijdens het zwemuurtje in ieder geval wel hun allesbepalende schermpje in de kleedkamer achter moeten laten. Zie hier in een notendop de grote problemen die wij te bestrijden hebben. Dat kan niet alleen door sportbeoefening, maar, en dat moet wij nummer 14 alias JC in de hemel nageven, die is daartoe wel een zeer geëigend instrument.
Vandaar dat ik vol verwachting op zoek ging naar sportgerelateerde fragmenten in de troonrede. Na lang zoeken vond ik er één: ‘Nederland is een land van vrijwilligers, kerken en verenigingen, dat samenkomt rond bijzondere sportprestaties en op nationale feestdagen.’
Dat gaat eigenlijk niet eens over sport. En oh ja, defensie krijgt meer geld, maar dat is niet het soort sport waardoor vervette Nederlanders weer gezond worden. De noodklok wordt geluid over de gestegen zorgkosten. Waarom niet eens aan de basis beginnen? Trek geld uit voor die andere belangrijke energietransitie: van schermpje naar sportveld. Voor meer sportleraren, aandacht, tijd en veilige sportplekken. Zo waarlijk helpe ons de sport.

Snelle jongens

(verschenen in Den Haag Centraal van 20-9-18)


Jeffrey Herlings is een olijke gozer uit Brabant die met speels gemak zijn motorcrossconcurrenten verpulverd. De knaap rijdt zonder vrees en als hij een keer niet wint, is dat meestal vanwege een gebroken enkel of een schouderblad in de puin. Deze ongemakken worden altijd weer snel en monter overwonnen, er moeten in Jeffrey onderhand meer bouten en schroeven zitten dan in zijn crossmotor.
Een echte held, volgens de crossliefhebbers een nog grotere dan Max Verstappen. Het is lastig vergelijken, het was meer Max’ vader Jos, die zich nogal eens off the road begaf.
In ieder geval werd Jeffrey afgelopen weekend in Assen wél al wereldkampioen. Zo’n Nederlandse overwinning was alweer even geleden en vandaar dat we de afgelopen dagen veel verkleurde beelden zagen van door het zand hopsende oude racehelden. Ik kende ze allemaal nog, ze dateren uit de tijd dat Studio Sport nog geen afgesloten voetbalcompartiment had. Na het overzicht van de eredivisie volgden de andere sporten, waarbij de toeren van de motoracrobaten, zeker als er even geen eindeloos schaatsen was, een vast ingrediënt vormden.
John van den Berk, Pedro Tragter, Dave Strijbos en natuurlijk, nog veel eerder, de crossende tandarts Gerrit Wolsink. Een curieus beroep voor zo’n modderspringer, maar wie weet leverde zijn voorbeeldfunctie hem uiteindelijk een hoop extra klantjes op. Het gebit lijkt mij in deze sport toch een van de twee meest risicovolle gebieden. Aan dat andere gebied moest ik ook vaak ineenkrimpend denken als ik zo’n rijder vanaf een torenhoge schans zag landen. Zouden die lui nog wel een zak hebben?
Er kwamen toch telkens weer nieuwe crossertjes, dus dat viel blijkbaar mee. Wat mij ook raakte bij het zien van die oude beelden, waren de stemmen van de commentatoren. De onsterfelijke Frans Henrichs en Hans Kieviet, beiden helaas reeds lang overleden. Kieviet (zie bovenstaande foto) had een kenmerkende nasale stem en een bij de sport behorende snelheid van spreken. Van Frans Heinrichs werd zelfs mijn vader duizelig. De man is 76 geworden en dat mag een wonder heten, gezien de opwinding die hij wist te genereren. Hij had ook een adelaarsblik, evenals Kieviet versloeg hij het ijshockey en waar wij dik aangeklede schaatsers met stokken op elkaar in zagen poken, wist hij feilloos waar de onzichtbare puck was.
Inmiddels is er als commentator een nieuwe snelle druktemaker aangesteld en wordt er dus nog steeds geruststellend door de modder geploegd. Het lijkt wel het echte leven.

Money Games

(verschenen in Den Haag Centraal van 13-9-18)

Of gamen een Olympische sport moet worden? Voorlopig niet, aldus IOC-opperhoofd Thomas Bach. Om de zogenaamde eSports hangt de kwade reuk van strijd, vernietiging en zelfs politieke incorrectheid. Verder is het algehele beeld van ongewervelde pubers die etmalen lang op een dieet van Red Bull in hun muffe holen voor een knetterend scherm liggen, niet in concordantie met de frisheid van de sportende jongeling.
Voormalig schermer Thomas Bach weet natuurlijk ook wel dat sport een geritualiseerde vorm van oorlog is, met een door de verheffing der mensheid afgedwongen dun laagje beschaving. Zeer dun, zoals wij wekelijks op de sportvelden zien en horen. Na twee vernietigende wereldoorlogen is de sport aan een glorieuze opmars begonnen. Grote aanjagers waren het staatsbelang (aan gene zijde van de Berlijnse muur) en de commerciële propaganda, zeg maar de reclame, in het zogeheten Vrije Westen. Inmiddels zijn beide markten samengesmolten in het verzengende kapitalisme dat deze aardbol definitief in zijn greep gekregen heeft.
Sportwedstrijden zijn gerieflijke oorlogjes, waarbij zelden een dode valt en die zeer profijtelijk zijn voor organisatie en deelnemers. De Commerciële Spelen begonnen in 1984 in Los Angeles, waar de organisatie, geheel in strijd met de traditie, winst wist te maken. Omdat sindsdien de exposure voor het organiserende land erbij wordt gekapitaliseerd, staan landen in de rij om de Spelen te huisvesten. De achterlijke drukte in het huidige Barcelona is mede aan 1992 te wijten.
Het is de Grieken, altijd weer die Grieken, in 2004 dan natuurlijk weer wel gelukt failliet te gaan aan de organisatie van de Olympische Spelen. We betalen er met zijn allen nog aan af. Die Grieken hadden trouwens, vanwege het 100-jarige bestaan van de moderne Olympiade, de Spelen in 1996 eigenlijk al moeten krijgen, maar toen koos het IOC-clubje voor de Amerikaanse provinciestad Atlanta, zetel van megasponsor Coca Cola.
Zo lopen de hazen al heel lang bij het IOC, geld is het leidend beginsel, alle mooie woorden van baron De Coubertin ten spijt. Dus die lucratieve eSports zullen heus wel ingelijfd worden bij de Olympische familie, net zoals er op de Winterspelen nu allerlei malle sprongen van skiënde hipsters worden vertoond. Het televisiegenieke darten lijkt me op den duur ook een kandidaat. Als er aan curling gedaan mag worden, kan je daar geen bezwaar tegen hebben. Traditionele maar minder wereldwijd incasserende sporten als hockey (onze vaste Nederlandse medailles!) krijgen het zwaar, de hockeystick zal door de joystick worden verdreven.

Abdenasser

(verschenen in Den Haag Centraal van 6-9-18)

De laatste ADO-speler die mij ernstig kon bekoren, was Dmitri Boelykin. De geblokte Russische spits was in het successeizoen 2010-2011 de absolute held. Kijk er op YouTube de fijne documentaire ‘Het jaar van de tsaar’ nog maar eens op na. ADO had een puik elftal, een uitstekende trainer (John van den Brom), maar Boelykin was groter en machtiger dan allemaal.
Hij leek in zijn spel op de oudere en veel betere buurjongen die even meespeelde op het schoolplein en dan zonder pardon de wedstrijd besliste. De Russische ex-international scoorde 21 doelpunten en maakte ADO schier onoverwinnelijk. Er werd twee keer van Ajax gewonnen, op data die op tenminste één Haagse supportersarm getatoeëerd zijn. Na een bloedstollende play-off-finale tegen Groningen behaalde ADO via penalty’s Europees voetbal. Dat avontuur werd overigens vrij snel door een Cypriotische(!) club beëindigd.
Boelykin vertrok naar Ajax, zijn saldo op de bank nam daardoor toe, maar ook het aantal keren dat hij daarop mocht plaatsnemen. In 2014 stopte hij met voetbal. De post-Boelykin jaren brachten kleine succesjes en er waren zeker markante spelers. Zoals de onverzettelijke Tommy ‘Rustaagh’ Beugelsdijk, die momenteel in een voetbalcommercial vooral taalkundig excelleert, wanneer hij in gespeelde extase deze gevleugelde woorden uitspreekt: ‘Het is niet te beseffen’.
Ook hadden we het gelijkmakende buitenaardse hakdoelpunt van keeper Hansen in de wedstrijd tegen PSV, maar een opvolger van Dmitri Boelykin had ik als oppervlakkige ADO-watchers nog niet gespot.
Maar nu is hij er: Abdenasser El Khayati, een vrolijk voetbalgenie met Marokkaanse roots. Voor zo’n mannetje ga je naar het stadion. Vorig seizoen onderscheidde hij zich al met zijn superieure techniek, zijn haarzuivere schoten en vooral zijn rust en slimheid.
Ik herinner mij een doelpunt waarbij hij de heen en weer springende defensie van de tegenstander verschalkte, door te kijken, te wachten en de bal heel precies en heel droog in het enige beschikbare gaatje te tikken. Een welhaast droogkomisch zaalvoetbaldoelpunt, ik moest in ieder geval hardop lachen toen ik het zag.
Afgelopen weken is het helemaal feest met Abdenasser, dit weekend weer vier parels van doelpunten en in totaal al zes. Een Haagse topscorer! En dan hebben we het nog niet eens over zijn voorbereidende acties. En er is nog meer: knapen als Abdenasser en de meesterlijke Hakim Zyech laten zien dat er in Nederland nog steeds veel meer is dat ons verenigt dan dat ons verdeelt. Wat die bleke cartoonwedstrijdorganisator ook moge beweren.

Sint Maarten

(verschenen in Den Haag Centraal van 30-8-18)

Mijn vader was een grappenmaker. Hij kon zomaar de telefoon pakken en doen alsof hij de premier aan de lijn had. Wij vonden dat prachtig. ‘Hallo, spreek ik met de regering? Zeg, wanneer gaan jullie de Noordzee dempen?’ Wij geloofden onze oren niet. ‘Wat? Kunnen jullie de Noordzee niet dempen? Nou ja, zeg.’
En dan, terwijl hij de hoorn weer op de haak legde, kwam de uitsmijter: ‘Rare jongens van de regering.’ Door mijn vaders baldadigheid dacht ik als kind dat de regering uit een stel knulletjes bestond, in plaats van uit eerbiedwaardige excellenties. Ik heb daarna het gezag nooit meer helemaal serieus kunnen nemen.
Er is sindsdien in ons land zoveel veranderd. De Noordzee is nog niet gedempt, maar er zijn zeearmen afgesloten, Maasvlaktes gebouwd en grote polders ontstaan. Er wieken windmolenparken en straks dobberen er velden met zonnepanelen. Dat vliegveld en dat energie-eiland in zee zullen er ook vast komen.
Ik moest aan het schertsende toekomstvisioen van mijn vader denken toen ik Maarten van der Weijden door Friesland zag zwemmen. Tweehonderd kilometer door sloten, vaarten en meren, dan is de verbeelding toch wel definitief aan de macht gekomen. Dat je dat gaat doen. Zoiets gaat elke vorm van sport te boven. Hoe kinderachtig zijn dan klagende voetbalreserves en het opportunistische gejuich dan wel gejammer over de nieuwe video-arbiter.
Maarten van der Weijden ploegde voort op zijn revolutionaire reis. Ik weet dat er mensen de oceanen over geroeid zijn of zelfs, met behulp van een vlot en de juiste zeestromingen, gezwommen. Je hebt de engerds die steile wanden of hoge flatgebouwen ongezekerd met hun vingertoppen beklimmen. Daar kan je alleen maar opnames van bekijken, omdat je weet dat ze je nooit een fatale val zullen laten zien. (Al is dat in de huidige media-industrie ook nog maar de vraag).
Maar de Elfstedentocht zwemmen… Van der Weijden gaat er de geschiedenisboeken mee in, al was het alleen maar omdat hij even ver kwam als Bonifacius: tot net voor Dokkum. Hem volgen was zinsbegoochelend en ook intiem. Via de live-stream zwom ik mee. Als ik na een nacht slapen het geluid op mijn computer weer aanzette, klonk het gestage geplons van zijn malende armen. Grootse gekte. Sint Maarten valt niet voor niets op de 11e van de 11e, het begin van het carnaval, wanneer het vertrouwde wordt ingeruild voor reinigende waanzin. Dat moet af en toe.

Wortels

(verschenen in Den Haag Centraal van 23-8-18)


Nadat ik mijn zoon naar school geholpen heb, maak ik deze zomer meestal een ochtendwandeling door de buurt. Alleen al om de verzengende hitte voor te zijn, die zich ondanks de koeling van zee en wind lange tijd in onze stad nestelde. Terwijl op de Laan van Meerdervoort de fietsfile der ambtenaren van stoplicht naar stoplicht kluunt, kies ik de zijstraatjes. Daar ijlt de nacht nog na, af en toe gaat er een deur open en slaapwandelt een geschrokken buurtgenoot naar zijn of haar fiets. De plicht roept, langzaam beginnen de raderen van de stad te draaien.
De groenteman, voor wie het als veilingbezoeker al bijna middag is, stalt zijn verse waren uit en groet mij vrolijk. We staan even stil bij het nieuwe boompje dat onlangs op zijn heringerichte pleintje is geplaatst.
Dit kastanjekind doet het een stuk beter dan het sprietje dat voor mijn huis, een pleintje verderop, is geplant. Dat heeft zichtbaar dorst, de groene blaadjes worden steeds schaarser. Ik ben al een keer met een emmer water naar beneden gelopen. Wij zijn in Den Haag nou eenmaal gek op bomen. Een sympathiek, maar tamelijk machteloos gebaar, aldus mijn buurman, zo’n boom heeft volgens hem per keer wel honderd liter water nodig.
Ik loop verder langs de kade, waar imponerende houten reuzen staan. Stammen als niet-Italiaanse brugpijlers, de takken van de kruinen wuiven boven de dakranden.
Aan de doorgaande weg wordt gewerkt, maar het is er nog doodstil. Een halfwakkere verkeersregelaar staart naar een middenberm in aanleg. Ik zie er zelden mensen bezig, maar op mysterieuze wijze nadert ook de voltooiing van dit gemeenteplan.
Als ik terugkeer bij mijn huis, staat er een vreemdsoortige tankwagen bij het zieltogende boompje geparkeerd. Een gemeentedienaar heeft een slang tevoorschijn gehaald en begint te spuiten. De wortels worden gevoed, de boom is niet vergeten. Hij heeft ergens in het IJspaleis een dossier, goedwillende ambtenaren hebben zich om zijn lot bekommerd.
Zo gaat dat vaker in onze welvarende stad. Een kapotte staartlantaarn? Na één telefoontje is het weer snel licht. We zijn meesterlijk georganiseerd en gelukkig gaat er nog genoeg fout om af en toe gezellig te kunnen mopperen.
Ik las deze zomer ‘Macht en verbeelding’, het filosofische boekenweekessay van Femke Halsema, die inmiddels van de theorie in de harde praktijk terecht is gekomen. Zij pleit voor een hernieuwde waardering van het momenteel nogal verguisde idealistische denken uit de jaren zestig. Op welke idealen en vergezichten is ónze goed georganiseerde, technocratische samenleving gegrondvest? Een terechte vraag. Politiek moet meer zijn dan een electorale schandaalkroniek en een door de waan van de dag bepaald wedstrijdje welvaartsverdeling.
Als je de wortels niet voedt, lazert de boom om.
En dat wil toch geen enkele Hagenaar.

Druk

(verschenen in Den Haag Centraal van 16-8-18)

Het zal voor de Hagenees even slikken zijn, maar we krijgen in onze stad Amsterdamse toestanden. En doel ik niet meteen op de knalfuiven van de hoofdstedelijke onderwereld, die zich steeds meer op klaarlichte dag en op drukbevolkte plekken afspelen. De eliminaties volgen elkaar daar in zo’n hoog tempo op gaat, dat je je afvraagt wanneer alle boeven op zijn. Dat hier sprake is van zelfregulering in de branche, zou je, cynisch bekeken, als het enige voordeel kunnen zien.
Het gaat mij juist om de toename van het aantal levende zielen. Amsterdam loopt over van de toeristen en dat worden er met het groter worden van een reisbeluste middenklasse in landen als China en India steeds meer. Zo gaat het met alle aantrekkelijke steden. Ik vrees dat binnen tien jaar ook de spreekwoordelijke rust in ’t Haegje definitief verleden tijd zal zijn.
Deze zomer bezocht ik Venetië, het mekka van de toeristenellende. Want wie de toekomst wil leren kennen, moet bij het verleden te rade gaan. Er is veel verleden in Venetië en ook weemoed om dat verleden, toen de haveloze drukte in de straatjes en op de gondels nog door de Venetianen zelf verzorgd werd. Ik was er op een maandagochtend, dan is het iets makkelijker om je door de steegjes te persen. Er zijn tien soorten winkeltjes en eetgelegenheden, die elkaar repeterenderwijs in de straatjes en op de pleintjes afwisselen. De kledingboetiek, de schoenenzaak, de Venetiaanse glaswinkel, het horlogepaleis, de souvenirshop, de ijssalon en de diverse eet –en drinkgelegenheden.
Normale, c.q. niet van het toerisme afhankelijke, Venetianen schijnen er nauwelijks meer te wonen. Ik had ze zeker herkend tussen het voortwaggelende korte broekenvolk. De bijzonderheid van Venetië is nog net zichtbaar, de karakteristieke kanalen, panden en bruggen van de stad zijn inmiddels overal ter wereld zo vaak nagebouwd, dat je nauwelijks gelooft dat je je in het origineel bevindt. Het is een toneelstuk, waarin de toeschouwers bezit hebben genomen van het podium en zichzelf daarmee tot hoofdrolspelers hebben gemaakt.
In Amsterdam, waar ik mijn halve leven heb gewoond, is het de afgelopen tien jaar heel snel gegaan. Ook hier werken de algoritmen van de toeristenindustrie: als een stad eenmaal ‘viraal’ gaat, is er geen houden meer aan. Mensen zijn kuddedieren, en ook als ze menen dat niet te zijn, gaan ze massaal naar dat ene aanbevolen bijzondere plekje.
Moeten we het heerlijke ’s-Gravenhage, die unieke Stad aan Zee, in dit geweld geheimhouden? Daar spelen tegengestelde belangen, dat snap ik wel. De balans tussen rust en revenuen is delicaat. Maar we weten welke sprinkhanenplaag ons te wachten staat, dus laten we vooral ook wijzen op de schoonheid van Delft, Leiden en het unieke Rotterdam. Graag gedaan, buren!

Extra dimensie

(verschenen in Den Haag Centraal van 9-8-18)

Drie verdiepingen had ons huis aan de Frederik Hendriklaan. Op de bovenste etage huisden kamerbewoners, meestal studenten. Die rolden niet allemaal even makkelijk door het leven, er is zo hier in daar een maagje leeggepompt, maar er waren boeiende types bij.Op een zeker moment besloten mijn ouders dat het genoeg was.
Na vertrek werden geen nieuwe jongeren gehuisvest. Pas toen kon ik die bovenste verdieping pas goed verkennen. Ik klom zelfs op het dak, de zee was nog net niet te zien, maar de stad lag aan mijn voeten.
In Amsterdam, waar ik ging studeren, waren de huizen twee keer zo hoog. Ik kwam in grachtenpanden en voormalige pakhuizen waarvanaf je de hele binnenstad kon overzien. De wolkenkrabbers aan de Zuidas waren nog hersenschimmen van architecten. In de buitenwijken stond een enkele hoge flat.
Voor echte torens moest je naar de stad van mijn moeder, Rotterdam. Deze metropool was, met dank aan de Duitsers, de uitzondering geworden in ons tweedimensionale land, waar kerktorens op seinafstand stonden en huizen een godvrezende hoogte bezaten.
Dat gold zelfs voor de prestigieuze Amsterdamse grachtengordel, waar de dominee allang door de koopman was vervangen.In Rotterdam werd de derde dimensie verder verkend. Ze bouwden er, zonder mankeren, een metro. Van opa en oma mochten we kiezen: een ondergronds ritje of naar de film Bambi. Dat werd dus janken in de bios om het radeloze weeshertje, want die metro was al snel gewoon.
Den Haag en Amsterdam volgden. Er verrezen skylines en ook onder de grond werd er driftig voortgeploeterd. Na de opening afgelopen juli van de Noord-Zuidlijn, de overtreffende trap van onze tramtunnel, was ik er als de kippen bij.
Jaren woonde ik aan de rand van de bouwput, voordat de boel in elkaar donderde wilde ik het resultaat zien. De lijn oogt echter mooi en solide en voor wie de weg bovengronds kent is de snelheid van reizen fenomenaal.
Inmiddels wordt er geboord op de Binckhorst en tussen Wassenaar en Leiden. Heel vernuftig, al die verkeersstromen boven elkaar, maar waar is ondertussen ons land gebleven?
Op mijn NZ-dagtochtje naar Amsterdam (terug met het HSL-spoor via Rotterdam) heb ik zo’n 40 kilometer (van de 168) ondergronds gereisd. Bovengronds werd het uitzicht doorlopend belemmerd door geluidschermen.
Het reizen is bijna virtueel, we verplaatsen ons, maar zien nog nauwelijks hoe. Nederland is een kluwen van (spoor)wegen aaneengeschakeld door grote driedimensionale rotondes.
Nu zijn er weer plannen om de Professor B.M. Teldersweg (tussen Hubertusviaduct en Statenkwartier) verdiept (want veilig en ecologisch) aan te gaan leggen. Het grootse panorama van de Waterpartij, visitekaartje van onze stad, wordt dan voor langsrijdend verkeer onzichtbaar.
Dat is nou een dimensie die ík niet missen.