Auteursarchief: Marcel Verreck

Mooi verhaal

(verschenen in Den Haag Centraal van 8-11-18)


Er komt dus, geheel naar Amerikaans voorbeeld, een supercompetitie met zestien Europese topvoetbalclubs. Nijvere journalisten hebben dat ontdekt, hulde daarvoor, maar echt onverwacht is het niet. Infantino, het glimlachende olifantje van de FIFA, zal er, vrees ik, ondanks alle verkiezingsbeloftes, uiteindelijk zijn zegen aan geven.
De sportromantici staan tandenknarsend langs de lijn, voor zover ze nog tanden hebben. In de geldobese Champions League zijn alle tradities al op een hoop gegooid. Het ‘champions’ in de naam slaat alleen nog op wat je als deelnemer kan worden. Het echte kampioenenbal der Europacup 1 is reeds lang verleden tijd.
Ach ja, dat waren tijden dat er nog over de wenselijkheid van shirtreclame werd gediscussieerd. Nu zullen binnenkort de eerste merken op de lijven van de topvoetballers worden getatoeëerd, mocht daar nog plaats op zijn. Tegenwoordig zeulen overwinnaars na hun finales met hun kinderen rond. Buitengewoon schattig, maar die kindjes hebben natuurlijk een shirtje, lees advertentieruimte, aan. De rest van hun potentiaal als levende reclamezuilen wordt via de sociale media geëxploiteerd. Kluivert junior aan de kook. Gelukkig nog niet met een c. Mag het kinderwetje van Van Houten weer van de plank af? Wat dat was weet ook niemand meer, want er moet geld verdiend worden, het liefst zo veel mogelijk.
De vraag is of de voetballiefhebbers aller landen deze nieuwe supercompetitie zullen pikken. Dat ligt natuurlijk aan de mooie verhalen die nu worden voorgebakken. Oh no, pardon, narratieven natuurlijk, want in het grote nakakelcircus lenen we onze woorden graag uit het opschep-engels van de bijhandjes van deze wereld. Dan heb ik het maar niet over de trieste positie van onze landstaal op de universiteiten, ik ben blij dat ik mijn studie Nederlands nog in het Nederlands heb kunnen doen. Andere Tijden zal binnenkort wel bij mij op bezoek komen.
Laat ik voor het overzicht terugkeren naar het schoolplein. De grote sterke jongens gaan met elkaar spelen, de rest mag in een hoekje van de fietsenschuur zitten knikkeren. Het lijkt allemaal nieuw en revolutionair, maar het is zo oud als de weg naar Rome.
Werk voor de romanschrijvers dus, wie van een drol een slagroomtaart weet te maken is spekkoper. Want wat is waar? Zo las ik in deze krant een tamelijk enthousiaste bespreking van een vernieuwde eetgelegenheid in mijn buurt. Ik at daar laatst een schamele zalmsalade voor € 14,50. Mij zien ze daar niet meer, maar volgens de recensie was het er lekker druk.

Het gemankeerde leven van Hetty Heynneman

(verschenen in Den Haag Centraal van 8-11-18)


Op tienjarige leeftijd valt Hetty Heynneman, dochter van een rubberplanter in Rasbitoeng, West-Java, uit een boom. Ze landt ongelukkig, krijgt een bacteriële infectie en het scheelt weinig of haar been moet worden geamputeerd. Een arts, die zijn sporen heeft verdiend op de slagvelden van de Eerste Wereldoorlog én in mondaine ski-oorden (het leven kent soms zeer uiteenlopende hoofdstukken) weet met een slimme operatie het been te redden, maar Hetty zal de rest van haar leven mank blijven lopen.
En dat is nogal een leven. Er is de paradijselijke koloniale sfeer, met baboes en borreltafels, waarin Hetty en haar drie bekoorlijke jongere zussen hun jeugd doorbrengen.
Wanneer ze naar de H.B.S. in Batavia gaat, breekt in Europa de oorlog uit. In 1942 volgt de Japanse bezetting, daarna de eveneens gruwelijke Bersiap-tijd, waarna de onvermijdelijke verhuizing naar Nederland volgt. Het is een knik die in vele levensverhalen van Indische Nederlanders voorkomt.
De familie Heynneman belandt uiteraard in Den Haag, waar Hetty een leven leidt dat je zowel bijzonder als gewoon kan noemen. Haar grote liefde Karel is getrouwd, maar heeft zelfs aan twee vrouwen niet genoeg. In 2016 sterft ze op 94-jarige leeftijd na een val, waarbij ze haar linkerbeen (het goede notabene) te ernstig blesseert. Zo is de cirkel op een macabere wijze rond.
Je zou over dit eeuw omspannende leven een roman kunnen schrijven, maar dat is in deze bescheiden uitgave, getiteld ‘Hetty’, vooralsnog niet gebeurt. Henriëtte van Wermeskerken (vriendin van de familie) heeft, gevoed door gesprekken met familieleden en andere bronnen, een levensbeschrijving afgeleverd die daar wel nieuwsgierig naar maakt.
Geen stilistisch vernuft, een simpel verteld verhaal, gelardeerd met treffende anekdotes, geschreven in die altijd opgewekte onvoltooid tegenwoordige tijd. Waardevol, omdat dit leven zich langs de statiën der wereldgeschiedenis voltrekt. Met scenes en sprekende details, die worden behoed voor de vergetelheid. Zo gaat de slimme Hetty, wanneer de Japanners beginnen met het interneren van de Nederlanders, in de familiedossiers van het Algemeen Landsarchief op zoek naar mogelijke inlandse voorouders. Die vindt ze, haar voorvader Barend Barendszoon, VOC-bootsman, viel ooit in het havenstadje Cheribon voor een lokale schone. De foto’s die deze uitgave sieren tonen dan ook onmiskenbare Indische trekken.
In 1942 betekent dat echter dat de meisjes op hun pendaftaran (hun registratiebewijs) niet als ‘Belanda-totok’ maar als ‘Belanda-Indo’ worden aangemerkt. Zodoende kunnen ze in hun eigen stadsdeel Menteng blijven wonen en worden ze niet geconcentreerd in de gebieden die omineus als ‘beschermde wijken’ worden aangeduid.
Deze tijden zijn in de Nederlandse literatuur vaak en indringend beschreven, maar de particuliere lotgevallen in dat wonderlijke land blijven de verbeelding prikkelen.
Ook met de verwikkelingen in het Haagse leven van Hetty zou een schrijvende achterkleinzoon van Louis Couperus wel raad weten. Het onontbeerlijke noodlot-motief dienst zich levensgroot aan. De vrolijke, aantrekkelijke, maar mank lopende Hetty acht zichzelf vanwege haar handicap niet geschikt als getrouwde vrouw. Daar laat je toch graag een fijnschrijver met psychologisch inzicht op los. Hetty schenkt haar hart dus aan een erkende womanizer, met medeweten overigens van diens wettige echtgenote. Dit boek bevat voorts ook enige tragikomische confrontaties met andere dames, die het leven van deze Karel kleurden. Maar de dinsdagavonden in het welbekende etablissement ‘De Posthoorn’ zullen voor Hetty tot aan zijn betrekkelijk vroegtijdige overlijden ‘Kareltjesavonden’ blijven.
Ook met deze tamelijk onconventionele situatie in burgerlijk Herrijzend Nederland zou de romanschrijver aan de haal kunnen gaan. Voorlopig is deze levensbeschrijving er, die bij de lezer herkenning, mededogen en ook verwondering zal opwekken. Want wanneer het lange en veelbewogen leven van Hetty langzamerhand in deze tijden terecht komt, raak je toch gefascineerd door de dingen die gebeurd zijn en de oude mensen die dat allemaal hebben meegemaakt.

Henriëtte van Wermeskerken, Hetty.
Vaelde uitgeverij, Den Haag
Paperback, 86 pag., met zwart-witfoto’s
ISBN 978-90-829376-0-2
Prijs: € 16,95
Verschijningsdatum: 10 november 2018
Verkrijgbaar via de boekhandel en via boekenbestellen.nl

Bewogen geschiedenis

(verschenen in Den Haag Centraal van 1-11-18)

We overschatten ons zelf. Niet alleen geestelijk (als het gaat om het gewenste opleidingsniveau van onze geniale kinderen) en financieel (wanneer we een hypotheek afsluiten), vooral ook fysiek. Uit recent onderzoek blijkt dat we veel minder bewegen dan we vermoeden. Meer dan de helft van Nederland heeft inmiddels overgewicht. Het is met het inschatten van sportieve activiteiten blijkbaar hetzelfde als met diëten, we smokkelen onze prestaties de gewenste kant op.
Hou kan ik nou toch aangekomen zijn? Als je precies opschrijft wat je eet, dan weet je het. Leuk is dat niet, maar het werkt wel. Zeker als je je aanmeldt bij een controlerend orgaan als de Weight Watchers. Dan betaal je je scheel – op den duur zou die financiële aanslag tot blijvende vermagering kunnen leiden – voor iets wat je blijkbaar niet zelf kan opbrengen. Dat je flink moet betalen voor de Wekelijkse Weging verhoogt de urgentie.
Eenmaal terug in de zelfregulatie gaat het meestal mis, het belonen van de bereikte gewichtsreductie neemt een aanvang. De verslaving accepteren, omhelzen zelfs en veel tijd en aandacht besteden aan de balans. Tot zover de theorie, het is een levenslange opgave.
Bewegen en het verrichten van fysieke arbeid zijn daarbij essentieel. Ooit waren we een agrarisch land. IJzersterke boerenzonen domineerden schaats- en fietswedstrijden. Ze wonnen de Elfstedentocht en fietsten weer naar huis om de koeien te melken.
Steeds meer mensen wonen in de stad, hebben een auto, maken gebruik van het fijnmazige openbaar vervoer. Kinderen spelen op schermpjes, niet meer op straat. In onze vlakke steden wordt veel gefietst, maar dat wordt met al die elektrische vehikels bestuurd door haastige, appende lieden steeds gevaarlijk. Deze week bleek dat alternatieve vervoersmiddelen als stint en helikopter ook niet zonder risico zijn. Het zal van de sport moeten komen.
In hun diepgravende, rijk geïllustreerde studie ‘Hoe voetbal verscheen in Nederland’ vertellen sporthistorici Jan Luitzen en Wim Zonneveld over de eerste schermutselingen op de Nederlandse velden. Ons eigen HVV (voorheen Olympia) speelt daarin een voorname rol, evenals het internaat Noorthey in Voorschoten. Ook concluderen de auteurs dat de Haarlemse sportpionier Pim Mulier zichzelf een iets te legendarische rol heeft toebedeeld.
Sport begon als een tijdverdrijf van de elite, nu is het een broodnodige factor in het gezond houden van de hele samenleving. Toen verrichten de meeste mensen nog veel fysieke arbeid. Nu begint het harde werk vaak na de dagelijkse kantoorbaan. In wintertijd én zomertijd.

Paul van Vliet schrijft voort

(verschenen in Den Haag Centraal van 25-10-18)

Afgelopen mei nam Paul van Vliet afscheid van de grote podia. In een vraaggesprek met deze krant blikte hij aan het begin van dat theaterseizoen vooruit op het leven daarna: ‘Ik ben een kind van Den Haag. Misschien dat ik net als mijn vader dan ‘s ochtends het huis uitga en wel zie waar ik terechtkom. Een flaneur, die overal aanschuift. Door de hele stad, bij congressen en in buurthuizen, een soort stadsorakel, dat op vaste plekken in de stad spreekuur houdt. Een wandelende zonderling waar je terecht kan voor raad en daad. Ja, ik denk dat dat mijn toekomst wordt.’
Ook schreef hij al jaren aan een boek. Dat is er nu: ‘Brieven aan God en andere mensen’. Een veelzeggende titel, want de vermenselijking van het Opperwezen is niet alleen maar grappig bedoeld. In zijn epistel aan de Schepper, vertelt het protestante jongetje Van Vliet dat hij Hem eertijds in een jeugdig protest vaarwel heeft gezegd: ‘Ik kon Uw heiligheid op geen enkele manier combineren met de Sturm und Drang van mijn hormonale ontwikkeling.’
Nu het rijke leven zijn voltooiing nadert, wendt hij zich weer tot de Almacht, die hij als cabaretier bespotte: ‘Daarmee kon ik in het zelfgemaakte heiligdom van het theater mijzelf in het centrum van mijn eigen eredienst plaatsen. Dat is heel lang goed gegaan. Het is zelfs meetbaar geworden in materiële welstand: gouden platen, prijzen en koninklijke onder- scheidingen. Maar nu ik drieëntachtig ben geworden, werkt dat systeem niet meer.’
Er valt veel te citeren uit dit brievenboek, de taal van Paul van Vliet is trefzeker, altijd licht van toon en gekruid met de Haagse melancholie, die hij van zijn moeder erfde. De brieven aan zijn ouders behoren tot de ontroerendste in deze bundel, die als een goede Van Vliet-show is opgebouwd uit ernst en luim.
Kenners van zijn leven en werk zullen veel bekends tegenkomen, zoals het weggevoerde schoolvriendje Japie Groen, de vriendschap met Audrey Hepburn en de kalverliefde voor Ilse op het jeugdkamp die in hem het artistieke vuur ontstak. Sommige stukken zijn anekdotisch, in andere brieven doet hij een poging tot grondige zelfanalyse. Het genre van de brief suggereert een zekere intimiteit, maar je merkt dat de schrijver worstelt om tot volledige openheid en verdieping te komen. Paul van Vliet koestert zijn vormkracht, hij weet de taal te boetseren als geen ander, maar jongleert ook met zijn humoristische impulsen, ongetwijfeld om zijn zwaarmoedige inborst van een tegenwicht te voorzien.
In een brief aan zijn zus Helmi vertelt hij openhartig over de depressie die hem velde en citeert de instructieve woorden van Proust: ‘Je hebt geen nieuwe landschappen nodig, maar nieuwe ogen.’ Wie de bodem bereikt, stuit op harde inzichten: ‘Ik heb altijd gedacht dat er pas van me kon worden gehouden als ik iets presteerde. Niets bleek minder waar.’
Aan kabouter Gruno, een door zijn vader gecreëerd fantasiewezen uit zijn jeugd, woonachtig in het Haagse Bos, schrijft hij een lange brief vol ontboezemingen over zijn theaterleven, die hij uiteindelijk toch omkadert met de controlerende zin: ‘Ik ga mijn eigen zorgvuldig opgebouwde imago hier verder niet zelf beschadigen.’
In die worsteling zit de kern van een nieuw schrijverschap, dat de ‘afheid’ van de kleinkunst voorbij zal gaan. In romanvorm bijvoorbeeld, met nieuwe creaties die door Den Haag dwalen. De benodigde ogen heeft Paul wel, zoals blijkt uit deze observatie over zijn moeder: ‘De spaarzame keren dat ik op uw slaapkamer ben geweest, zag ik hoe u voor uw toilettafel zat en uw haar borstelde met wilde rukken, die een verborgen drift deden vermoeden.’
Dat Paul van Vliet God inmiddels als metgezel heeft verwelkomd, betekent nog niet dat hij nu al met Hem moet gaan wandelen. Er is nog zoveel niet gezegd..

Paul van Vliet, Brieven aan God en andere mensen. Uitgeverij: Balans.Prijs: € 19,99, E-book: € 9,90

Poldersport

(verschenen in Den Haag Centraal van 25-10-18)

Het lijkt mij geen goed voorteken dat een groot man als Wim Kok ons is ontvallen. Hij is – het lot van vele helden – door zijlijnpraters verguisd om zijn vermoede medewerking aan de graaicultuur bij de bedrijven waarvan hij na zijn premierschap commissaris werd. Goed, hij heeft de samenleving willen vernieuwen, het marktdenken is onder zijn bewind opgerukt, maar was dat tegen te houden?
Alles wat in Amerika gebeurt, krijgen we hier ook. Ze weten daar subliem hoe ze de menselijke behoeften kunnen manipuleren en de maatschappij kunnen organiseren in de vorm van een altijd spannende sportwedstrijd met minimale verschillen, met als gevolg veel kijkers en reclame-inkomsten.
Laten wij niet vergeten waar Wim Kok vandaan kwam en voor welk land hij stond. Dat is het land van de harde werkers, de polderaars, de saamhorigheid en ook de zorg voor de zwakkeren. Dat land bestaat nog steeds, bijvoorbeeld in Gorredijk waar de Nederlandse korfballers op eclatante wijze hun 193e Europese titel op rij binnenhaalden.
Ook bij de vele sportclubs, waar vrijwilligers zorgen dat iedereen mee kan doen. Dit land kent miljoenen mantelzorgers, ik weet er alles van, het is niet louter exhibitionisme en eigenbelang. Dat land van Wim Kok is er nog, ook al lijken de grote ideologieën te verdwijnen. Minder dan de helft van de Nederlanders acht zich nog gebonden aan een religie. De Grote Voorbeelden zijn nu twijfelachtige iconen van vlees en bloed, waar weinig heil en stichting van te verwachten valt. Aan de top van de piramide heerst grootheidswaan en perversie.
In de sportwereld is de corruptie met geen communicatie-duizenddingendoekje weg te poetsen. WK’s in Rusland en Qatar, met steekpenningen toegewezen. In de politiek hebben we nu een gepatenteerde leugenaar als premier, die zich door het bedrijfsleven pindakaas om de mond laat smeren. Het feit dat de helft van zijn partij vanwege vieze zaakjes in de gevangenis zit of daar naar op weg is, maakt geen bal uit.
De baas van de Vrije Wereld is een leugenaar, zijn Saoedische vriendjes zijn schofterige leugenaars, en bovendien wil deze narcistische gek met de graaiende neo-tsaar Poetin weer eens een gezellige kernoorlog gaan organiseren. De Chinezen staan ondertussen klaar om de wereldorde naar hun harde hand te zetten.
Wim Kok draait zich nu al in zijn graf om. Of zou hij als voetballiefhebber hoop hebben geput uit het wonderlijk eendrachtige spel van Oranje tegen onze buurlanden?
Elk lichtpuntje is welkom.

De tegenaanval

(verschenen in Den Haag Centraal van 18-10-18)

Graag zou ik hier aandacht besteden aan Dick Jaspers, die onlangs voor de vierde keer maal wereldkampioen werd in de mooiste biljartvariant, het driebanden. Maar de waan van de dag voert ons naar andere ballen, de drie die er zaterdag bij Duitsland invlogen door toedoen van het opgefriste Nederlands elftal. 3-0 tegen de moffen, het had trouwens net zo makkelijk omgekeerd kunnen zijn, maar alles was anders in dit gevecht, waarin Oranje zelfs in een erkend Duitse periode als de laatste minuut scoorde.
Ach, Dick Jaspers, je stoot maar voort, maakt de wonderlijkste ballen, tovenaar uit Sint Willebrord. Dorp van wielrenners en smokkelaars, waar velen ondanks een arbeidsongeschiktheidsuitkering toch nog altijd hard aan het werk zijn. Daar weten ze hoe ze de ballen moeten laten rollen.
Dirk Kuyt en Rafaël van der Vaart wisten dat ook. Daarom werden ze gehuldigd in de Johan Cruijff Arena. Raffie vond het natuurlijk een mooie avond, al betreurde hij het dat Oranje zich tot counterploeg heeft omgeschoold. In de tijd dat hij deel uitmaakte van ‘De Grote Vier’ (met Robben, Van Persie en – gek genoeg – kabouter Wesley Snijder) was balbezit en aanvallen troef. Verdedigen was niet bepaald Raf zijn ding, zoals wij in de slotfase van de WK-finale tegen Spanje mochten ervaren. Verder alle lof voor deze olijke liefhebber, die zich in Denemarken op liefhebber-niveau nog steeds tussen kaats en kets beweegt.
Ach, driebanden, dat magische spel, met de Belg Raymond Ceulemans als opperpriester. Zijn keu bleek telkens weer een toverstok. Zelfs zuurpruim-commentator Ben de Graaf begon hysterisch te fluisteren. Zijn doodnerveuze landgenoot Boulanger stond met 59-55 voor en had aan één geslaagde driebander genoeg. Ceulemans leunde achterover, zijn tegenaanval slaagde.
Duitsland ging dus zogenaamd af in Amsterdam, maar de samenvatting van de wedstrijd toonde een aaneenschakeling van mooie Duitse aanvallen, die door de falende spitsen van dienst niet werden verzilverd. Een grote rol was daarbij weggelegd voor een onnederlands sterke defensie. Voormalig Heerenveen-speler Dumfries toonde zich een ware blokkeerfries en in het centrum heersten de uitschuifbenen van Matthijs de Ligt en de onpasseerbare body van Virgil van Dijk (ruim 2,5 meter).
Het traditionele Nederlandse aanvalsspel is door David Winner in ‘Brilliant Orange’ verklaard uit onze onbekommerde ondernemingszin, ons handige gebruik van de beperkte ruimte en onze polderse niet-hiërarchische samenwerkingstraditie: totaal voetbal. In deze angstige tijden regeert de tegenaanval. De kunststoten op de groene mat laten we voortaan aan Dick Jaspers over.

De Haagse wortels van Remco Campert

(verschenen in Den Haag Centraal van 11 oktober 2018)

Mirjam van Hengel heeft met ‘Een knipperend ogenblik’ een krachtig en ook poëtisch biografisch portret van Remco Campert geschreven. Campert, in 1929 in Den Haag geboren, is een van onze geliefdste schrijvers. Nog steeds actief, want schrijven is – dat maakt Van Hengel overtuigend duidelijk – zijn ultieme levensbehoefte. De recente aankondiging van de vermoeide poëet dat hij de pen zou neerleggen was nationaal nieuws, maar werd, toen de broze schrijver weer enige kleur op de wangen had gekregen, schielijk ingetrokken. Van Hengel kreeg welwillende medewerking van Campert zelf en zijn grote liefde Deborah Wolf, maar stuitte desondanks op intrigerende raadselen die Camperts zeer gevulde leven kleuren en misschien ook wel bepalen. Haar boek is een intiem portret geworden van iemand voor wie intimiteit levenslang problematisch is gebleken.
Wat ‘Een knipperend ogenblik’ mede zo leesbaar maakt, is de persoonlijke inzet van de schrijfster, die zichzelf ook opvoert en er niet voor terugschrikt in beeldende taal locaties uit Camperts leven te beschrijven. Eerder publiceerde zij een portret van dichter Leo Vroman en zijn vrouw Tineke en haar aanpak doet denken aan de manier waarop Onno Blom in ‘Het litteken van de dood’ het leven van Camperts generatiegenoot en vriend Jan Wolkers heeft geboekstaafd. Geen sprake van het gevreesde uitputtende boekhoudersproza, waardoor bepaalde biografieën geteisterd worden. Een van de pillen die Nop Maas over het leven van Gerard Reve schreef ligt zodoende nog steeds half gelezen op mijn bureau.
Ook Van Hengel en Blom larderen hun verhaal met getuigenissen en documenten, maar ze smeden daarvan een smeuïg en betekenisvol relaas. De woeste levens van beide schrijvers (drank, vrouwen, het immer dynamische koppel levenslust-melancholie) herbergen daartoe heerlijk materiaal, maar het zijn geen oppervlakkige schandaalkronieken. In beide boeken wordt een vergelijkbare periodisering aangebracht, waarbij de ‘horizontale’ lijn, de chronologie van het leven, op een slimme manier door verticale thema’s wordt verdiept.
Blom wist zich omringd door Wolkers maniakaal bijgehouden archief en diens bijna alwetende weduwe Karina en Van Hengel had vele gesprekken met de held van haar verhaal, waarbij ze zijn selectieve herinneringen regelmatig met de ware toedracht kon verrijken.
Remco Campert is de schrijver van de verraderlijke toegankelijkheid. Hij heeft in zijn verzen, verhalen en romans, vriend Kees van Kooten memoreerde dat laatst nog in een talkshow, voor vele jongelingen die grote angstaanjagende literatuur ontsloten. Lichtvoetig, maar niet oppervlakkig. Melancholisch, maar ook met voor de Nederlandse letterkunde ongebruikelijk veel humor. Tastende personages, trefzekere sprankelende zinnen.
Ook de titels van zijn boeken spreken, we kennen ‘Het is leven is vurrukkulluk’ maar ook ‘Een ellendige nietsnut’. Want nooit is de mislukking ver weg in Camperts werk, maar hij laat zijn spartelende sukkels glanzen. Van Hengel draagt genoeg bewijzen aan, dat de schrijver veel zo niet alles aan zijn eigen leven ontleent.
Remco Campert reist, sinds ik op de middelbare school een uitbundige scriptie over hem schreef, met mij mee. Door ‘Een knipperend ongeluk’ ben ik er achter gekomen dat hij zelfs dichtbij mijn huidige huis geboren is. Op de Beeklaan, in het stuk dat vanwege de bouw van de Atlantikwall gesloopt is. De oorlog beroofde hem bovenal van zijn vader, dichter en controversieel verzetsicoon Jan Campert, aan wie hij slechts een handvol herinneringen zegt te bezitten. Zijn moeder was actrice Joekie Broedelet, onder meer bekend als de vriendelijke dame uit de fameuze Koot & Bie-sketch over ‘het winterklaar maken van de tuin’ door het illustere duo Jacobse en Van Es.
Zijn ouders scheiden vroeg, zijn moeder was vaak op tournee, de jonge Remco ging van mandje naar mandje. In Kijkduin groeide hij op, vertoefde ook veel op andere Haagse adressen. Hij ging naar de Galvanischool, waar sinds 2015 zijn dichtregels de muur sieren. Bij de onthulling daarvan zei hij: ‘De stad Den Haag is mijn oorsprong’. In het zwartst van de oorlog volgde evacuatie naar de Veluwe. Die onthechte zwerfkat is hij gebleven. Zijn levenspad, vol rijke details door Van Hengel gereconstrueerd, kent vele liefdes en woonplekken. Maar ergens begon het allemaal:

Geboren ben ik, nu nog
28 juli 1929 in Den Haag
zoon van mijn moeder
zoon van mijn vader

het was mooi weer
was het weer mooi?
zand van de stoepsteen
woei in de voortuin

Hoe Amsterdams van signatuur hij ook moge lijken, ik durf de chauvinistische stelling wel aan dat het werk van Remco Wouter Campert, of hij wil of niet, in zijn Haagse wortels verankerd is. Kijkduin tekende zijn rommelige jeugd, die hij gelukkig noemt, met veel spelen in de duinen. Den Haag is met zijn standsverschillen en grote taligheid voedingsbodem voor zijn kenmerkende understatement gebleken en dan is er het grote litteken van de oorlog. Slauerhoff dichtte ‘alleen in mijn gedichten kan ik wonen’, bij Campert zie je dat hij als vaderloos zwervertje, ondanks zijn soms vrolijke, soms lamlendige en toch uiterst productieve leven, zijn definitieve onderdak vindt in de taal. En in die voortuin is er altijd zand blijven waaien, als stof voor een vitaal oeuvre.
Laten we hopen dat het ‘knipperend ogenblik’, zoals Campert in een gedicht de dood omschrijft, nog even op zich zal laten wachten.

Mirjam van Hengel, Een knipperend ogenblik, uitgeverij: De Bezige Bij, € 29,99 (E-book: 12,99)

De Japanse hoofdsteun

Ik kocht een hoofdsteun uit Japan
en legde mijn nek erop te rusten.
Ik sloot mijn ogen
om wakker te blijven.
Smeltenderweg verloor ik alle liefde
en ging van alles houden.

Gekocht in Scheveningen
die Japanse hoofdsteun
een dag dat de wind van zee kwam
het zand in de souvenirshops drong
het Gevers Deynootplein kermde om begane zonden
en villa’s in het Belgische park
hun luiken verzegelden
de vloot niet meer varen zou
en de raad van den Haag haar zoveelste deal sloot.

Alles verging tot stof
behalve mijn lichaam dat zweefde
éen met het houten kussen
naar het wijkende plafond.

Uit: ‘Theater’ (1979).

Tribunepoëzie

(verschenen in Den Haag Centraal van 11-10-18)


De ADO-supporters haalden afgelopen weekend de Studio Sport-samenvatting van de wedstrijd tegen Groningen. Daar stond immers de weerspannige doelman Sergio Padt tussen de palen. Hij is onlangs bij een incident in de trein wegens wanbetaling en opgefokt gedrag in de boeien geslagen. Zo ADO-supporters ergens verstand van hebben, dan zijn het deze zaken. (Geintje, jongens.)
De keeper werd zingend verwelkomd met nieuwbakken hits als ‘Sergio, laat je kaartje zien’ en ‘Olé, olé, hij heeft geen OV.’ Padt deed net of hij niets hoorde, maar moest wel één keer vissen en dat was genoeg voor weer een overwinning van de thuisclub.
Het volgende vers belandde ondertiteld in het wedstrijdverslag:

Daar boven op die berg,
daar woont Sergio Padt,
hij koopt nooit een kaartje,
en hij rijdt liever zwart

Als liefhebber van tribunepoëzie, maar ook als neerlandicus, moet ik even bij deze tekst stilstaan. Op het eerste gezicht lijkt waarlijk rijm hier afwezig, maar in de Haagse tongval speelt, zoals wij weten, de letter ‘r’ een verwaarloosbare rol. Hij wordt ingeslikt, dan wel omgevormd tot een fraaie huig-g. Dat heet brouwen, en dat is natuurlijk ook een woord waar we in Den Haag affiniteit mee hebben.
Zo rijmt Sergio Padt toch bijna op ‘zwagt’. Waarom de doelman op een berg zit, behoort tot de raadselen der poëzie. Groningen staat niet bekend om zijn hoogteverschillen, al dreigen die dankzij de geslonken gasvoorraad wel te ontstaan.
De ADO-supporters lieten in ieder geval op een fraaie manier van zich horen. Dat was vroeger wel anders, maar ‘deze nieuwe situatie wegen we weer opnieuw’, aldus een andere stadgenoot die ons verbaal suf probeert te pingelen. Goed, Robin van Persie kreeg een loflied met als tekst ‘ouwe lul’ (je zal hem trouwens maar in je elftal hebben!) en voor een ongelukkig gevallen Ajax-supporter klonk ‘er ligt een jood in de gracht’, waar normaal gesproken een paard in de gang stond.
Maar verder zijn de Haagse supporters vaak ontroerend actief met bijvoorbeeld een knuffelwerpactie voor ernstig zieke kinderen en het prachtige spandoek van Haagse Harry-schepper Marnix Rueb dat na diens overlijden werd ontrold. Binnenkort zal overigens een filmdocumentaire over Marnix te zien zijn.
Geïnspireerd door deze tribunepoëzie zei ik tegen een Haagse vriend tijdens het ‘Zwingcafé’ in De Nieuwe Regentes dat er niets mooiers is dan samen zingen. Hij wist nog iets mooiers. Ik antwoordde dat je daar ook bij kan zingen.

Kamp der Onbekenden

(verschenen in Den Haag Centraal van 4-10-18)

Vandaag rek ik het mandaat voor deze sportcolumn op om ‘Expeditie Robinson’ te kunnen bespreken. Deze mateloos populaire martelkamer voor televisietiepjes heeft alle kenmerken van een sportwedstrijd. Om te beginnen is het kijken ernaar een onvervalste duursport: ultiem uithoudingsvermogen is vereist om deze wezenloze voorstelling uit te zien.
Voor mij althans, televisiemakers zijn inmiddels zo gericht op vertonen van niet-bijzondere daden van niet-bijzondere mensen, dat daar nu massaal van gesmuld wordt. De tv-kijker ziet, zoals alle consumenten, graag iets van zichzelf terug in het aangebodene, vandaar dat lulligheid, klunzigheid en klein huishoudelijk leed aan de orde van de dag zijn.
Soms knettert het ook in de eilandgemeenschap, zoals vorige week toen de hoogbejaarde Corry Konings werd uitgefoeterd door een ‘gangstarapster’ uit onze polder, die daarna opgefokt de expeditie verliet om thuis weer lekker haar haar geel te kunnen verven. De arme Corry, in haar moedige badpak, bleef achter met ‘een heel apart gevoel van binnen’ en al spoedig bleek dat huilen voor haar zeker niet te laat was.
De aanleiding van het geschil was, zoals hij de meeste huiselijke twisten, te onbenullig voor woorden, maar de camera’s draaiden gretig en bij het nasmulprogramma ‘Eilandpraat’ ging het over niets anders. Daar kreeg ik mijn definitieve ‘Maarten van der Weijden nabij Dokkum’-momentje. Ergens houdt het op.
Dit jaar mogen er ook Onbekende Nederlanders meedoen. Knap dat ze die gevonden hebben. Ze verblijven in het zogenaamde Kamp der Onbekenden, al waren dat voor mij eigenlijk alle drie die kampen. Jaren geleden zag je nog wel eens een deerniswekkende coryfee door de mangrove tijgeren, die landelijke bekendheid genoot vanwege enige (niet alleen geldelijke) verdiensten. Gelukkig zetten ze er tegenwoordig meestal bij wie hier de cliché-uitbrakende spreker is en waar we hem of haar van moeten kennen. Op eigen kracht herkende ik, behalve onze Corry, Kraaykamp junior en de zanger Jody Bernal. Voor dat laatste schaam ik me nog steeds.
Dan de echte sport op het eiland. Er zijn uiterst sadistische proeven in de brandende zon die doen denken aan de praktijken van de Japanners in de Tweede Wereldoorlog. Hoofdprijs is een langer verblijf in de gloeiende hel. Wat dat betreft moeten we dit sport noemen: men hongert, ziet af, sterft zowat voor de ultieme roem. Vervolgens begint het eindeloze napraten: Zal Corry Konings net zover komen als de geweldige wielersenior Valverde? Zeker is dat Felix Meurders ze allemaal zou verslaan.

Marcel Verreck

De sportrede

(verschenen in Den Haag Centraal van 27-9-18)


De Troonrede. We waren hem alweer vergeten, al werd hij vorige week uitgesproken. Ik heb hem nog eens overgelezen en begreep onmiddellijk waarom onze Koning ervan moest stotteren.
Aangezien dit een sportcolumn is, heb ik ingezoomd op wat, volgens de volkswijsheid, de belangrijkste bijzaak ter wereld is. In een welvaartsmaatschappij als de onze is sportbeoefening een vitaal onderdeel. Weinigen zullen dat betwisten.
Sport is, uiteraard in de juiste dosering, goed voor lijf en leden en, in principe, ook balsem voor de psyche. Bewegen in competitieverband verbetert de sociale vaardigheden, al zijn er weleens (ont)sporende voetbalkeepers die van het Padtje raken.
Het leren omgaan met verlies en winst blijft voor jong én oud een essentieel proces. De tragikomedie van het bestaan zullen we moeten accepteren. Er is geen verlies zonder winst, en winst is niets als je de waarde ervan niet kent. Gelukkig hoeven we niet meer tegen andere landen te gaan vechten, maar kunnen we deze wijze lessen opdoen tijdens de sportieve strijd.
De consumptiemaatschappij heeft ons in de houdgreep, die maakt ons hebberig, en dan zijn degenen met de minste weerstand of ouderlijke correctie de pineut. Ik ga regelmatig enige tientallen baantjes trekken in De Waterthor, daar heb je tussen de middag een klein uur de tijd voor. Dan begint het schoolzwemmen weer. Godlof dat het er is, maar van de aanstormende kinderen is een aanzienlijk deel zichtbaar te dik. Ze hebben tijdens het zwemuurtje in ieder geval wel hun allesbepalende schermpje in de kleedkamer achter moeten laten. Zie hier in een notendop de grote problemen die wij te bestrijden hebben. Dat kan niet alleen door sportbeoefening, maar, en dat moet wij nummer 14 alias JC in de hemel nageven, die is daartoe wel een zeer geëigend instrument.
Vandaar dat ik vol verwachting op zoek ging naar sportgerelateerde fragmenten in de troonrede. Na lang zoeken vond ik er één: ‘Nederland is een land van vrijwilligers, kerken en verenigingen, dat samenkomt rond bijzondere sportprestaties en op nationale feestdagen.’
Dat gaat eigenlijk niet eens over sport. En oh ja, defensie krijgt meer geld, maar dat is niet het soort sport waardoor vervette Nederlanders weer gezond worden. De noodklok wordt geluid over de gestegen zorgkosten. Waarom niet eens aan de basis beginnen? Trek geld uit voor die andere belangrijke energietransitie: van schermpje naar sportveld. Voor meer sportleraren, aandacht, tijd en veilige sportplekken. Zo waarlijk helpe ons de sport.