Column

Gelukkig maar! (4-5-17)

Iedere twee weken schrijft Marcel Verreck een sportcolumn in Den Haag Centraal.

Gelukkig maar!

Vitesse heeft de KNVB-beker gewonnen. Gelukkig maar! Ze hadden in hun 125-jarige bestaan nimmer een prijs gepakt. Op zich een prestatie. Deze recorddroogte is is nu voorbij, maar dat betekent wel een klap in het gezicht van Vitesse-fan en begenadigd schrijver Marcel van Roosmalen die drie tragikomische boeken schreef over zijn altoos sukkelende clubje. Vitesse loser-af. Laat hij zich geen zorgen maken, sneller dan gedacht zal de functie van Vitesse als permanente bron van leed ende vermaak in ere zal worden hersteld. Ook gelukkig maar!
En dan John van den Brom. Vitesse-man, maar ook trainer van verliezer AZ. Was in zijn carrière als speler en trainer vaak een winnaar. Gelukkig maar! Nu zat het er niet in. In de aanloop naar de wedstrijd werd hij voortdurend geconfronteerd met een lullig momentje in zijn spelersloopbaan. Tijdens de bekerfinale van 1990 tegen PSV miste hij bij een 1-0 achterstand een strafschop. Hans van Breukelen, die toen nog wel grip op de materie had, stopte de bal. Het schijnt dat Van den Brom na zijn misser tijdenlang op de penaltystip heeft gebivakkeerd. Terwijl de PSV-ers rondhopsten met de bokaal, lag hij daar, neus in het gras, overmand door verdriet. Hij lag er uren, dagen, soms kwamen ze hem eten en drinken brengen, maar hij weigerde, uiteindelijk hebben ze hem met een takelwagen verwijderd, er stond een andere wedstrijd gepland. Gelukkig maar!
Feyenoord wordt kampioen. Gelukkig maar! Ze moeten nog wel naar Excelsior, op het gezellige Woudenstein waar het eerder genoemde AZ met de Grote Louis van Gaal in 2007 de landstitel verspeelde. Dat gaat nu niet gebeuren, maar ik ben wel bang voor de psyche van het Feyenoord-legioen nu de club voor het eerst sinds 18 jaar aan het langste eind gaat trekken.
Op de lagere school was ik ook voor Feyenoord, maar toen was succes heel gewoon voor de Rotterdammers. Landskampioen, Europacup, Wereldbeker. Het wisselde lekker af met Ajax, dat met Cruijffie bekers verzamelde, maar in bijvoorbeeld 1974 won Feyenoord toch ook weer de UEFA-cup.
Daarna kwamen de magere jaren, af en toe kampioen en in 2002 nogmaals de UEFA-cup. De Feyenoord-supporter, met de rug tegen de muur, begon het Grote Lijden te omarmen. Nu komt aan deze Pechverslaving een eind. Want dit Feyenoord is geen incidentele pieker als Vitesse, maar een geweldige ploeg, die volgend jaar gewoon weer kampioen kan worden. Dat wordt wennen voor de fans. Maar bovenal: proficiat!

Bonscoach (20-4-17)

Iedere twee weken schrijft Marcel Verreck een sportcolumn in Den Haag Centraal.

Er werd aangebeld.
Twee keurige heren in de portiek. Functionarissen van een bedrijf of een ambtelijke organisatie, zo te zien. De een was kaal, de ander grijs en besnord.
‘Heren,’ sprak ik, ‘zegt u het maar.’
‘Ah, hij kan praten,’ zei de kale tegen de grijze.
‘En zo te zien ook lopen,’ zei de grijze.
‘Dat was het?’ vroeg ik.
‘Hij heeft humor,’ sprak de kale.
‘Ik denk dat we goed zitten,’ sprak de grijze
Of ze even binnen mochten komen.
‘Mag ik weten waar u voor komt?’ vroeg ik.
‘Mooi, hij is ook weerbaar,’ zei de kale.
‘Dan is hij onze man,’ sprak de grijze.
‘Heren,’ zei ik vriendelijk, ‘ik hoef geen nieuwe telecomprovider, gasleverancier of kunststof hang- en sluitwerk en goede doelen regel ik giraal.’
‘Perfect,’ sprak de kale, ‘wij komen voor iets heel anders.’
‘Komt u dan maar binnen,’ zei ik, ‘wilt u iets drinken?’
‘Maakt u zich daar geen zorgen over,’ sprak de grijze.
Hij haalde een fles champagne en drie glazen uit zijn tas.
‘Laten we eerst even gaan zitten,’ zei ik.
De heren kwamen ter zake. De kale man heette Gijs de Jong en de grijze snor Jean-Paul Decossaux. Ze bleken bestuursleden van de KNVB te zijn.
‘Kent u die organisatie?’ vroeg De Jong.
‘Uiteraard,’ sprak ik, ‘ik ben een enorme voetballiefhebber.’
‘Maar hopelijk toch niet een echte kenner?’ vroeg Decossaux.
‘Ach,’ zei ik, ‘we hebben 17 miljoen bondscoaches in Nederland.’
‘Oh ja?’ vroeg De Jong, ‘waar zijn die dan? We hebben nogal moeite om er één te vinden.’
‘Daarom zijn we zo blij met u,’ zei Decossaux grijnzend.
Hij maakte aanstalten om de fles champagne te openen.
‘Wacht even, JP,’ sprak De Jong, ‘laten we meneer … eh? …’
‘Verreck,’ zei, ‘Marcel Verreck.’
‘Goeie naam!’ riep Decossaux.
Hij begon aan de kurk te morrelen.
‘JP, laten we meneer Verrek eerst officieel vragen.’
Het was een opmerkelijk voorstel dat de heren mij deden.
‘Dus u wilt dat ik de nieuwe bondscoach wordt? Van Oranje? Van de grote jongens?’
‘Én van Wesley Sneijder,’ grinnikte Decossaux.
‘Nou niet helemaal,’ sprak De Jong, ‘u wordt niet onze bondscoach, maar onze bonscoach. Zonder d. Na de verwachte wanprestaties krijgt u de bons en kunnen wij blijven zitten.’
‘Het spijt me,’ zei ik.
Even later hoorde ik ze bij de buurvrouw aanbellen. En zojuist vernam ik dat de panda Wu Wen het Nederlands Elftal waarschijnlijk bij de eerstvolgende wedstrijd zal leiden.

‘Zomer in november met Kurt Efting’ (13-4-17)

Beschouwing in Den Haag Centraal (13-4-’17) van ‘Liefde was dichtbij’, de nieuwe CD van Kurt Efting

Kurt Efting was negentien jaar toen hij debuteerde in een uitverkocht Theater PePijn. Als leerling van het VCL maakte hij Nederlandstalige liedjes en begeleidde zichzelf op gitaar. Tegenwoordig heet je dan singer-songwriter en hoor je een slap mutsje op te hebben, een hap zuurkool aan je kin te dragen, moeilijk te kijken en te zingen alsof je constipatieproblemen hebt. Zo modieus is Efting niet, hij is verfrissend onhip en excelleert met klassieke miniatuurtjes over onderwerpen dichtbij huis. Daar waar je doorgaans de werkelijk grote gevoelens kan aanboren.
De geboren Scheveninger verrast na zoveel jaar met een fraai geproduceerde CD, getiteld ‘Liefde was dichtbij.’ Zijn bescheiden carrière voerde hem naar de hoofdstad, waar hij in het voormalige Comedy Cafe aan het Max Euweplein het programma ‘Liedjes van de Lage landen’ initieerde en presenteerde. Hoewel hij inmiddels naar Den Bosch is afgezakt (louter in geografische zin), zijn op de nieuwe CD de sporen van zijn Haagse jeugd sterk aanwezig. In het titelnummer bezingt hij een teloorgegane liefde met de alleszeggende regel: ‘We weten allebei dat Scheveningen/groot genoeg is voor jou en mij’.
Efting grossiert overigens niet in liefdesmalheur, hij is eerder een bezinger van het kleine geluk. Zoals in het beeldschone ‘Zomer in november’, waarin hij als romanticus pur sang een liefdesnacht met zijn uitverkorene schildert:

Zomer in november
Schat, ik volg je trouw
Naar de kamer in ons bed
Dat al warm is van jou

Hij heeft een karakteristieke stem, die doet denken aan de vroege Boudewijn de Groot, maar soms ook de nasale warmte van James Taylor oproept. Producer BJ Baartmans heeft voor een sober klankbeeld gezorgd, waarin instrumenten worden ingezet die Eftings vitale weemoed accentueren.
Want die melancholie is er, in vrijwel alle liedjes. Zo bezingt hij het ouderlijk huis, waar nu een jong stel woont met nieuwe gordijnen (‘ze hingen er snel’) en de raamkozijnen inmiddels witgelakt zijn.
Het lijkt nog maar een kwestie van tijd aleer ook de oude eik met de grond gelijk gemaakt wordt. In een ander liedje wordt het lot van de monumentale boom bezegeld door een storm, waarna de zanger zijn hoop stelt in een nieuwe oude eik, die zijn kracht zal tonen wanneer zijn zoontje groot is.
Zoals gezegd, thematiek en de muzikale uitvoering zijn niet wereldschokkend, maar toch pakt Efting je en blijf je zijn liedjes beluisteren. Hier is iemand aan het werk die precies heeft gedaan waar hij goed in is, en dat is op zich een niet te onderschatten talent.
De tien liedjes zijn zo op de huid geschreven dat ze een geheel vormen. In het openingsnummer vraagt hij zich af: ‘Hoe kijkt een mens terug op zijn leven?’ Terugkerend element is het ‘lentegroene gras’, de habitat van het gelukkig spelende kind, dat in elke levensfase als een trouwe vriend ligt te wachten. Het slotlied schildert Scheveningen in rauwere poëzie: ‘zandpaleizen, strandpaleizen, eetpaleizen, gokpaleizen, schrokpaleizen, luchtpaleizen. Torenflats, flats, torenflats, flets Scheveningen. Pier pierlala, verlaten vogelnest, Pier, ooievaar in het water.’
En daarboven het eeuwige silhouet van de vuurtoren. Leven en liefde, alles wordt aangevreten door het zout van de tijd.
We kunnen niet anders dan blijmoedig blijven pogen het geluk te grijpen. Daar kunnen mooie liedjes bij helpen. Dan wordt het soms even ‘Zomer in november.’

Kurt Efting is op 23 april te horen in Theater Dakota.

Turks tennissen (6-4-17)

Iedere twee weken schrijft Marcel Verreck een sportcolumn in Den Haag Centraal.

Mijn eerste tennisbal sloeg ik tegen de blinde muur aan het eind van de Van Weede van Dijkveldstraat. Je had toen in het Statenkwartier nog plekken waar geen auto’s stonden geparkeerd. Meestal bij zo’n blinde muur dus, waar ook werd gevoetbald. De ver vooruitziende architect van het hoekpand, had aan de zijde van de muur een trappenhuis getekend, zodat de bewoners niet hoorndol werden van de knallende ballen.
We hadden in onze woonkamer op de Fred een wedstrijdtafeltennistafel staan, waardoor ons huis (uiteraard toegankelijk via hét touwtje uit de brievenbus) trekken had van een alternatief buurthonk. Mijn moeder stuitte af en toe op volslagen onbekende pingpongende jongetjes.
Mijn tennisvaardigheden waren dus op tafeltenniservaring geschoeid. Uit het polsje in plaats van met de hele arm. Later speelde ik met mijn moeder op De Bataaf. Lekker de ballen naar elkaar toespelen. Eigenlijk deed ik maar wat, soms ging het verrassend goed. Later verloor ik mij in kansarme partijtjes, dikwijls met een even slecht onderlegde partner, waardoor we de helft van de tijd services in het net of tegen slachtoffers op belendende banen sloegen. Dan kreeg je uiteindelijk wel een uitslag, maar was het voornamelijk een treurig heen en weer sjokken en ballen rapen.
Ruim twintig jaar had ik niet gespeeld en nu ging ik voor de lol mee met een tennisvakantie in een resort aan de Turkse Rivièra. Onrust bij de achterblijvers en een dringend verzoek om geen het regime onwelgevallige grappen te maken. ‘Dat zal ik als fascist toch wel even zelf bepalen,’ riep ik lachend. Dit antwoord nam de bezorgheid niet direct weg. Men vermoedde dat ik na de eerste scherts op Turkse bodem onmiddellijk door de lange arm van Erdogan in het cachot zou worden gesmasht.
Maar in de gouden kooi waar je als Corendon-toerist wordt afgeleverd was weinig te merken van enige politieke dynamiek. Goed, het zwembad werd stategisch bezet door matig zwemmende vrienden uit het Midden-Oosten, die zich, gelijk de ‘geparkeerde bus’-verdediging van Roda JC opstelden, zodat deze rechtlijnige polderjongen zijn baantjes met sierlijke Arabische krullen moest zien te voltooien.
Het tennis was een ander verhaal, voor het eerst heb ik les gehad. De vooruitgang was opmerkelijk. Dat smaakt naar meer. Beginnen bij de basis dus, dat werkt beter dan panisch opportunistisme. Het zou een politiek advies kunnen zijn. De werkelijke tegenstanders bleken uiteindelijk de onafzienbare buffetten en de genadeloze all-inclusive inschenk-ober met zijn dodelijke service.

Leuke middag (23-3-17)

Iedere twee weken schrijft Marcel Verreck een sportcolumn in Den Haag Centraal.

‘Goedemiddag, dames en heren, jongens en meisjes, hartelijk welkom in ons prachtige stadion, dat zo schitterend gelegen is tussen de uitvalswegen van onze fenomenale stad. U ziet, het kunstgras ligt er glanzend bij, de vlaggen wapperen in de wind en wij zijn in afwachting van weer een wedstrijd van onze geelgroenen, met ongetwijfeld een… eh… uitslag. Maar tot het zo ver is, zullen wij er alles aan doen om u toch een leuke middag te bezorgen.
Laten we beginnen met het goede nieuws uit China. We hebben bericht gehad van meneer Wang, hij is erg opgetogen over de gang van zaken. U weet natuurlijk dat ze in China van achteren naar voren en van onder naar boven lezen, dus meneer Wang was heel blij om te zien dat we bijna bovenaan staan.
Wat gaan we vanmiddag allemaal doen, lieve mensen? We beginnen in de 9e minuut al te applaudisseren, en wel om de Partij van de Arbeid een hart onder de riem te steken. Negen zetels hebben ze toch nog gehaald en sinds die tijd is Hans Spekman permanent in tranen. Vrijwilligers zullen met collectebussen op de tribune langskomen om hem eindelijk eens behoorlijke kleren te kunnen geven. Het kan even duren voordat de bus langskomt, want de PvdA-aanhangers zijn met z’n tweeën.
Ondertussen blijft u gewoon doorklappen tot de 11e minuut. De 11e minuut herinnert ons aan de gebeurtenissen van afgelopen zondag op Woudenstein, waar Ajax en Excelsior op 1-1 eindigden en u mag zelf bepalen of u in uw applaus medelijden of enthousiasme legt.
In de 14e minuut gaan de handen op elkaar voor Johan Cruijff, die alweer een jaar niet meer onder ons is, daar krijgen we nooit genoeg van, en dan klappen we door tot de 15e minuut, de grens van het eerste Haags Kwartiertje en wie weet staat het dan nog 0-0.
Vanwege de tijd verwijs ik u naar het grote scorebord voor alle andere 37 applaus- en knuffelwerpmomenten. Verder zullen er in de rust door jonge spelers van onze club strafschoppen worden genomen op Jasper Cillissen, die zich kon vrijmaken van zijn bankzitverplichtingen in Barcelona. En met hem op doel weet je zeker dat er vandaag tenminste door iemand in ons clubshirt zal worden gescoord.
Wij hopen u met dit gevarieerde programma te kunnen compenseren voor de uitslag en het spel van ons elftal. Wij wensen u een leuke middag en veel sterkte!’

Taaljazz bij Mike Boddé (16-3-17)

Beschouwing in Den Haag Centraal van 16 maart ’17 over Mike Boddés nieuwe voorstelling ‘De geurige man’.

Mike Boddé is van vele markten thuis. Een geschoold en zeer veelzijdig pianist/componist, onder meer als sidekick in het klassieke NPO2-programma Podium Witteman, maar ook behept dan wel gezegend met een hoofd vol taalgekte. Met Thomas van Luyn vormde hij een vruchtbaar duo, dat op podia en televisie (Kopspijkers, De Mike & Thomas Show) muziek en taal naar hun hand zetten. Daarbij werden amusement en muzikaliteit altijd gekleurd door een haast vanzelfsprekend absurdisme.
Mike Boddé wist een ernstige depressie te overmeesteren, schreef daar een lucide boek over (‘Pil’), waarvan hij ook een gelijknamige voorstelling maakte. Talloos zijn de muzische samenwerkingen die hij is aangegaan, zoals met zangeres/actrice Hadewych Minis en met percussionist Marnix Stassen (in de muzikale memoire ‘Het Land’ over zijn eenjarig verblijf als jeugdig uitwisselingsstudent in de Verenigde Staten).
De bandbreedte van zijn talent is nogal wat groter dan dat van de meeste beoefenaars van de kleinkunst. Een genre dat dezer dagen, mede door de epidemische aanwezigheid van stand up comedy, nogal zucht onder het dictaat van de snelle lach en de toegankelijke pathetiek. Het ‘kunst’-aspect is met de toename van de populariteit van het genre in veel gevallen wel heel klein geworden. Sommige interessante cross-overs met toneel, muziek en bewegingstheater ten spijt, de conditionering van het cabaretpubliek is toch: ‘een avondje lachen’.
Boddé staat te boek als cabaretier, maar daar trekt hij zich in zijn nieuwste voorstelling ‘De geurige man’ weinig van aan. Begeleid door de fijnzinnige saxofonist Tom Beek confronteert hij het publiek met een onverhoedse aanval van taaljazz. Ik zag de tweede try-out van deze voorleesvoorstelling, dus er zal ongetwijfeld nog wat gefinetuned worden, maar de verwarring zat er al goed in.
Afgewisseld met jazzy duetten tussen sax en piano, tracteert Boddé, gezeten in zijn voorleesstoel, de argeloze toeschouwer op het merkwaardige verhaal van ‘De geurige man.’
Dat wil zeggen, het verhaal is misschien niet zo zeer merkwaardig als wel de taal waarin het verteld wordt. In een somtijds hilarische mix van bijbels getoonzette middelnederlandsklinkende verhaspelwoorden rijst het beeld op van de kwalijk dampende protagonist (de ‘riekgast’) en zijn tragische grote liefde (de ‘knollin’ oftewel ‘tweetieter’). Zij neemt door zijn te enthousiaste beoefening van het liefdesspel (door Mike met gulzige graagte in exuberante bewoordingen gevangen) de kuierlatten.
Hier dreigt cabaret, vuilbekken in wat voor taal dan ook is een vast bestanddeel van de grapjas, maar het ongenadig volgehouden taalvuurwerk heeft uiteindelijk een tweeledig effect. De vreemde taal creëert in eerste instantie distantie, maar na de gewenningsperiode, als het verhaal zich naar gevoeliger gebieden (vriendschap, ware liefde) begeeft, juist een veel grotere betrokkenheid. De toeschouwer, als hij deze initiatie weet te overleven, en de verteller blijken gaandeweg die vreemde taal te gaan delen. En dit intieme complot, gekruid door de vitale weemoed van de muziek, kan leiden tot een bijzondere ontroering.
Kan, want ‘De geurige man’ is ook een waagstuk, een artistiek experiment, zoals je ze in Cabaretland en omstreken zelden ziet. In Theater ‘Kantine Walhalla’, op het herrezen Rotterdamse Katendrecht, kozen vrijwel alle toeschouwers er voor om na de pauze terug te keren. Ze werden beloond door Mike Boddé, ook als vertolker van zijn eigen haspeltaal een groot verteller, die monter maar ingetogen via zijn jazzy omwegen de plek van het hart wist te bereiken.
Zaterdag 18 maart a.s. speelt Boddé ‘De geurige man’ in Theater Diligentia. Wie van verrassingen houdt en niet bang is voor een bijzonder theateravontuur, raad ik aan te gaan kijken. Zoiets maak je niet vaak mee.

Sportificatie (9-3-’17)

Iedere twee weken schrijft Marcel Verreck een sportcolumn in Den Haag Centraal.

De Franse voetbalheld Raymond Kopa is op 85-jarige leeftijd overleden. Kende jij die dan nog, Marcel? Nou ja, een beetje. En wel hierom. De bruine plastic bal die ons gezin vergezelde naar strand en Park Sorghvliet had als opschrift ‘Kopa’. Volgens mijn vader was dat niet de door allerlei afkortingen ontstane naam van de plasticfabrikant, maar die van deze beroemde voetballer. Ik heb hem nooit heb zien spelen, maar wel ontelbare malen tegen hem aangetrapt. Die ballen worden vast allang niet meer geproduceerd, maar de naam Kopa leeft, getuige de Franse eerbetonen, nog even voort.
Een andere kandidaat voor de eeuwigheid is Clarence Seedorf. Hij verscheen in levende lijve bij Circus Pauw & Jinek om op zijn kalme, allesoverziende manier te vertellen over het belang van sport. Terwijl zijn oude voorzitter Michael van Praag zich, vanachter een drumstel tijdens een schnabbeltje, kandidaat stelde als Minister van Sport (hij zal het wel weer nét niet worden), zat hier een man van ultiem formaat. Dat is geen ironie, ik acht Clarence tot nog grootsere dan al verrichte daden in staat. De man kan alles, ik heb hem eens horen zingen, dat ging met het zelfde gemak als waarmee hij op het voetbalveld de boel dirigeerde. Niet voor niets ergeren veel mensen zich aan hem. Hij is vooralsnog in de sport gebleven, maar het leidt geen twijfel dat hij ooit minstens secretaris-generaal van de Verenigde Naties wordt, waar híj ongetwijfeld wél een deuk in een pakje boter zal schoppen.
De stelling was dat sport meer dan ooit noodzakelijk is voor lichaam en geest van jong en oud. Nu Clarence zich als sprekend voorbeeld achter die gedachte heeft geschaard, komt dat helemaal goed.
We moeten overigens niet te nederig denken over de huidige rol die sport in de maatschappij speelt. Ik durf zelfs wel te stellen dat er in alle geledingen van onze samenleving een totale sportificatie gaande is.
Neem de verkiezingsstrijd. Daarin geen wijsgerige debatten van politieke denkers meer over hoe het nu verder moet. Het is één grote sportwedstrijd. Alle gedachtenwisselingen zijn duels, met opgefokte arbitrage, er moet permanent gescoord worden en alles wordt begeleid door de lawine van cijferfetisjisme, hysterische statistieken en persoonlijke trivia die met de tegenwoordige profsport zo onlosmakelijk zijn verbonden.
Sportificatie: Jesse Klaver, de talentvolle maar nog grillige linksbuiten. Henk Krol, anders dan zijn broer Ruud, de klunzige mandekker. En op 15 maart beslist de doellijntechnologie.

Schaats-zen (23-2-17)

Iedere twee weken schrijft Marcel Verreck een sportcolumn in Den Haag Centraal.

Wat jammer, het schaatsseizoen is al weer bijna verleden tijd. Voorbij die heerlijke weekenden waarop de publieke radio- en televisiezenders worden schoongeveegd van belachelijke actualiteiten en ander verontrustend wereldnieuws om ruim baan te geven aan de oranje zegetochten van onze hardrijders.
Een aantal jaren geleden heb ik in een ander periodiek een pleidooi gehouden voor nog meer schaatsen op buis en radio. Ik wees daarbij op het belang van veel human interest-reportages over de schaatsers en een grotere rol voor de schaatsanalisten. Ook de tussenkomst van storende andere programma’s werd gehekeld. Citaat: ‘Je zit met je meeschrijfschema’s op schoot, zodadelijk komt de 10.000 meter-rit tussen Trekke Treksma en Geurt Olde Keutel, onwijs belangrijk voor de strijd om de elfde plaats, en dan komt opeens het Journaal. Met allerlei nieuws dat niet over schaatsen gaat. Nou ja! En ook nog het weer. Alsof dat belangrijk is, we zitten toch in een hal.’
U begrijpt, hier was ironie in het spel. Anno 2017 is de situatie nog steeds hetzelfde. Alleen zijn de wereld en ikzelf veranderd. Momenteel kan de rituele zelfbevrediging van de Schaatsgodsdienst mij niet lang genoeg duren.
Zo’n stotteraar als commentator Eh… Eh… Er…ben W-W-Wennemars lijkt op het eerste gehoor een enorme aanwinst voor het eindeloos platwalsen van het schaatsnieuws. Maar omdat hij net zo snel praat als hij ooit schaatste, wordt zijn gestotter geneutraliseerd, zodat hij netto net zo veel tijd in beslag neemt met zijn cliché’s en open deuren als de andere experts.
Tijd om in slaap te vallen, normaliter een van de bijvangsten van een weekendje schaatsenkijken, is er door Erbens opgewonden interventies niet. Er hoeft maar één van de schaatsrobotten tweetiende van het geprogrammeerde schema af te wijken of Erben bereikt een graad der hysterie die hem ongetwijfeld op termijn de Theo Koomen-award voor georkestreerd tumult zal bezorgen.
Natuurlijk, het geluid kan uit, maar ja, dan mis je klassieke uitspraken als: ‘Nou moet-ie toch harder’ en ‘Als ze eerste wil worden, dan moet ze toch voorbij de anderen.’
U denkt nog steeds dat ik een schaatscynicus ben? Toch niet. Kome er nog meer schaatsen! Want ook ik ben een verwarde Nederlander. Ook ik wil even weg uit die leipe wereld vol maffe presidenten, nepnieuws, oorlogsdreiging en aanhoudend verliezingsgekrakeel.
Laat ik het schaats-zen noemen: dat heerlijke, saai-Hollandse geploeter, met enthousiast publiek en bijna altijd een Nederlandse winnaar. Soms is geluk nog steeds heel gewoon.

‘Het wordt hier een paradijsje’ (16-2-17)

De bewoners en medewerkers van het in 2015 gesloopte complex De Vloek in Scheveningen knappen in Moerwijk een leegstaand schoolgebouw op. In het voorjaar gaat hier ook het veganistisch restaurant Water en Brood weer open. (Artikel in Den Haag Centraal)

‘Als je de deur snel dicht doet,’ zegt Jonne Praat, ‘dan doe ik de houtkachel aan.’ Hij was kok van veganistisch restaurant ‘Water en Brood’, een van de attracties van ‘De Vloek,’ het met veel vertoon ontruimde en gesloopte complex aan de havenmonding. Alsof men bang was voor een wonderbaarlijke herrijzenis is daar in ijltempo het nieuwe nautische centrum uit de grond gestampt. Borden geven aan dat er nog voldoende kantoorruimte te huur is.
De bewoners en medewerkers van ‘De Vloek’ zijn inmiddels ook al weer anderhalf jaar verder. Ze kregen de sleutel van Beatrijsstraat 12, een verlaten en tamelijk verwaarloosde middelbare school, die, ondanks de heersende koude, bruist van de activiteiten.
De bewoners hebben voor tien jaar om niet een gebruikersovereenkomst met een mogelijkheid tot een verlenging van vijf jaar. Wel wordt van de bewoners van de gebruikers verwacht dat ze het pand opknappen.
‘Het heeft elf maanden geduurd voordat we een gasmeter kregen,’ vertelt Jonne, ‘die is er net.’ Nu kunnen ook de leidingen worden doorgetrokken, zodat de keuken kan worden afgebouwd.
‘Water en Brood’ verwacht in het voorjaar de deuren weer te openen. Het Moerwijkse complex is met een fijn ironisch oog voor de geschiedenis van zowel het gebouw als de huidige gebruikers omgedoopt in ‘De Samenscholing.’
Inmiddels is er onder meer een geheel geisoleerde oefenruimte voor bandjes gehuisvest, alsmede een houtbewerker, een fietsenwerkplaats en een imker (met nu nog dommelende bijen).
Contacten met de buurt zijn er volop. Eens per maand is er een ‘repaircafé’ en de weggeefwinkel (elke zaterdag vanaf 14.00 uur geopend) ‘loopt als een trein’. Die ziet er ook prachtig uit, op karakteristieke wijze versierd met de kreet ‘kijken, halen, niet betalen.’ In de aula vinden we de overduidelijke sporen van het praktisch idealisme van de ‘samenscholers’: een hele lading ingezamelde kleding wacht op transport naar de Griekse vluchtelingenkampen. Drie zeecontainers zijn al verscheept.
Nu de komst van het gas aanstaande is, zal ‘Water en Brood’ in de nieuwe, grotere ruimte vlakbij de ingang herleven. De trouwe schare vaste klanten, tuk op heerlijk veganistisch eten voor een zeer sociaal bedrag, gaat niet teleurgesteld worden. Dat blijft namelijk hetzelfde, maar door de combinatie met de andere omgeving zal er toch veel nieuw zijn.
Kok Jonne heeft de afgelopen tijd zijn culinaire blik verruimd: ‘Ik werk nu bij de lunchroom van ‘Pluk’ in Loosduinen. Door hun pluktuin leer ik meer over kruiden en andere gewassen. Ook word ik gedwongen mij nader te oriënteren op zoete gerechten, hartstikke leuk.’
Jonne staat te popelen om te beginnen, hij heeft het koken gemist. ‘Maar ik heb nu wel meer tijd gehad om thuis allerlei gerechten uit te proberen.’ Zijn optimisme is kenmerkend voor de enorme werkdrift en het organisatievermogen dat in ‘De Samenscholing’ wordt tentoongespreid: ‘Het einde van ‘De Vloek’ was voor iedereen een enorme klap, wat je al die jaren hebt opgebouwd is opeens weg. Mensen moesten andere huisvesting en baantjes zoeken. Nu wordt hier door zo’n twintig man ’s avonds en in het weekend keihard gewerkt.’
Met een dikke trui aan, maar lachend, voorziet hij een zonnige toekomst: ‘We bouwen een kas en er komt een mooie tuin met terras. Het wordt hier een paradijsje.’

Baardkracht (9-2-17)

Iedere twee weken schrijft Marcel Verreck een sportcolumn in Den Haag Centraal.

Hij had een baard! Een volle bos haar plakte aan zijn kin. Met allerhande lichaamssappen gevuld, want het was zomer en hij had zojuist een bergetappe in de Tour de France gewonnen. Zijn naam was Simon Geschke en hij kwam uit Duitsland. Nu komen daar meer mensen met afwijkend haargedrag vandaan, maar dit was een goede jongen en die baard maakte hem sympathiek. Hij oogde als een anarchist in de gladste aller sporten. Wielrenners, beducht op infecties na een valpartij, scheren namelijk zowat al het zichtbare haar weg. Misschien ook het onzichtbare, maar ik heb dat schandaalboek van Thomas Dekker (what’s in a name?) niet gelezen.
De baard, vast attribuut van mannen met hoeden op zeer oude foto’s, beleeft de afgelopen jaren een merkwaardige comeback. Zou het komen door de bebaarde wildemannen uit het Midden-Oosten, die wij van repliek willen dienen? Zelfs onze Staatssecretaris Tegen Vluchtelingen Verkeer, kort geleden tot Slimste Mens van Nederland gekroond, liet zijn baard staan. Waarschijnlijk om getraumatiseerde vluchtelingen van Isis-geweld duidelijk te maken dat het hier niet veel beter is.
Ik ben de afgelopen jaren regelmatig van de bank van het lachen gerold als er plotseling een tv-correspondent, sportpresentator of zelfs een bevriende cabaretier met het schaamhaar op zijn kaken op de buis verscheen.
Jong en hip heeft sikjes en snorretjes, maar hoe kansarm zijn deze haarstatements van de grijzende medemens. Nou ja, die mens is een kuddedier en veel van die hoefdieren hebben vreemde gelaatsbeharing.
Zelf heb ik ook tweemaal een baard gedragen, de foto’s daarvan zijn zorgvuldig opgeborgen om ze in het geval van ingebeeld casanovaschap af en toe ter relativering te bestuderen.
De meeste sporten zijn nog baardloos, behalve dan de voetbalsport, maar dat is een commercieel vehikel vol trendy behaarde pionnen. In de atletiek gaat het al jaren gladjes, met uitzondering van wat Oostblokdames in de jaren zeventig en tachtig.
Die harigheid zit, lijkt mij, bij het leveren van topprestaties toch ook in de weg. Wat is de toegevoegde waarde van de sportbaard? Worstelaars en boksers zie je zelden met gezichtsbeharing, voor je het weet word je aan je sik door de ring geslingerd. Maar bij andere ruige, keiharde sporten als rugby, ultimate frisbee en dameshandbal lijkt de intimiderende werking van een kop vol haar wél vaak doorslaggevend te zijn: hairpower! Misschien is het verhaal van de bijbelse krachtfiguur Samson (niet de kale Diederik) toch geen mop met een baard.